Het UWV beëindigde de WW-uitkering van verzoekster per 1 juli 2025 omdat zij volgens het UWV te veel indirecte uren aan haar bedrijf besteedde, waardoor haar fictieve inkomen te hoog zou zijn en zij niet langer als werkloos geldt. Verzoekster betwist de juistheid van haar urenopgave en stelt dat zij niet is geïnformeerd over de gevolgen van indirecte uren voor haar uitkering.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang, omdat verzoekster zonder uitkering haar vaste lasten niet kan betalen en zij nog weinig inkomsten heeft. Tijdens de zitting bleek dat verzoekster haar bedrijf pas op 16 juli 2025 inschreef en dat zij pas vanaf 1 augustus 2025 open is voor klanten, wat de opgegeven 160 uren in juli onwaarschijnlijk maakt.
Het UWV was niet aanwezig bij de zitting, waardoor het standpunt over de urenopgave onduidelijk bleef. De voorzieningenrechter weegt het belang van verzoekster om inkomsten te behouden zwaarder dan het belang van het UWV en schorst het besluit tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Het UWV moet het griffierecht vergoeden.