Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- de heer mr. J. Pearson, advocaat van verzoekster.
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 25 april 2025. Verzoekster stelt dat zij voldoende draagkracht heeft om de lopende huurtermijnen te voldoen en dat zij een schuldhulpverleningstraject wil doorlopen.
Verweerster betwist dit en stelt dat de huurachterstand is opgelopen en dat verzoekster de betalingsregeling niet nakomt. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en weegt de belangen van beide partijen af. Gezien de tijdige betaling van de huur van februari tot en met augustus 2025 en de geplande voortzetting van schuldhulpverlening, weegt het belang van verzoekster zwaarder.
De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.
De uitspraak is gedaan door rechter J.T.P. Pot en griffier I. van Gemerde op 21 augustus 2025.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming van de huurwoning opschort voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.