ECLI:NL:RBROT:2025:10468

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 september 2025
Publicatiedatum
29 augustus 2025
Zaaknummer
ROT 24/9366
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke procedure inzake compensatie op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 2 september 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure tussen eiseres en de Dienst Toeslagen. Eiseres had beroep ingesteld tegen een besluit van de Dienst Toeslagen, waarin was vastgesteld dat zij niet in aanmerking kwam voor een compensatiebedrag van € 30.000,- op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Na een integrale beoordeling door de Dienst Toeslagen, werd eiseres als gedupeerde aangemerkt en ontving zij het compensatiebedrag. Tijdens de zitting op 23 juli 2025 trok eiseres haar beroep in, met het verzoek om de Dienst Toeslagen in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank heeft dit verzoek beoordeeld en geoordeeld dat de Dienst Toeslagen inderdaad in de proceskosten moest worden veroordeeld, omdat zij geheel aan het beroep van eiseres tegemoet was gekomen. De rechtbank heeft de proceskostenvergoeding vastgesteld op € 907,-, gebaseerd op de kosten voor rechtsbijstand door de gemachtigde van eiseres. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de Dienst Toeslagen verplicht is het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9366
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2025 als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Inleiding

1. Met het besluit van 10 november 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres op basis van de zogenoemde lichte toets niet in aanmerking komt voor een compensatiebedrag van € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling (zie artikel 2.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen, Wht).
1.1.
Met het besluit van 16 september 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Met het schrijven van 22 juli 2025 heeft verweerder de rechtbank bericht dat op
27 januari 2025 een besluit is genomen over de integrale beoordeling (kenmerk [kenmerk] ). Met dit besluit heeft verweerder het compensatiebedrag van eiseres vastgesteld. Zij is als gedupeerde aangemerkt en heeft het forfaitaire bedrag van € 30.000,- ontvangen.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder en zijn collega [persoon A] .
1.5.
De gemachtigde van eiseres heeft het beroep ter zitting ingetrokken, onder het gelijktijdige verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
1.6.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van eiseres om veroordeling van verweerder in de proceskosten. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [1]
Is verweerder aan het beroep van eiseres tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan eiseres is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 10 oktober 2024 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin haar bezwaar ongegrond is verklaard. Verweerder heeft op 27 januari 2025 een besluit genomen naar aanleiding van de integrale beoordeling waarbij eiseres als gedupeerde is aangemerkt en het compensatiebedrag is vastgesteld. Hiermee is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van eiseres. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij een proceskostenvergoeding verschuldigd is.
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan eiseres vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek toe. Eiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde van eiseres heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 907,-.
5.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten in verband met de zitting die op 23 juli 2025 heeft plaatsgevonden. Eiseres was al eerder bekend met het besluit van 27 januari 2025. Niet valt in te zien waarom het beroep niet voor de zitting ingetrokken had kunnen worden. Als dat zou zijn gebeurd, dan zou de zitting niet hebben plaatsgevonden.
5.2.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. In artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend worden vergoed voor zover het bestreden primaire besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank is van oordeel dat aan dit criterium in dit geval niet is voldaan. Het primaire besluit is niet herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank merkt hierbij op dat de integrale beoordeling een ander beoordelingskader kent.
Krijgt eiseres een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. [2] Eiseres moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.A. van der Velden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
2.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.