De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt een ondertoezichtstelling voor vijf minderjarigen en een machtiging tot uithuisplaatsing van één minderjarige voor respectievelijk één jaar en negen maanden. De moeder erkent de noodzaak van uithuisplaatsing voor de jongste minderjarige, maar bestrijdt de noodzaak voor de andere kinderen.
De kinderrechter beoordeelt dat de ontwikkeling van de jongste minderjarige ernstig wordt bedreigd door een verstoorde relatie met de moeder en dat terugkeer naar huis zonder begeleiding niet mogelijk is. Daarom wordt de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor deze minderjarige toegewezen. Voor de andere minderjarigen wordt de beslissing aangehouden vanwege beperkte actuele informatie.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. De Raad wordt verzocht binnen twee weken voor de pro forma-zitting te rapporteren over de actuele situatie van de overige kinderen. De moeder staat open voor systeemtherapie en begeleiding mits goede communicatie en opname van gesprekken.