Verzoeker, sinds 1997 actief op de Rotterdamse markt, heeft op 20 maart 2024 schriftelijk zijn vaste marktplaats opgezegd vanwege gezondheidsredenen. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 18 april 2024 dit verzoek verwerkt door verzoekers inschrijving op de anciënniteitlijst door te halen. Verzoeker kwam hierop terug met een e-mail van 10 mei 2024 en een brief van 22 april 2024, waarin hij zijn opzegging wilde intrekken en zijn werkzaamheden wilde hervatten.
Het college heeft het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard en de doorhaling gehandhaafd. Verzoeker stelde dat hij onvoldoende bedrijfsinkomsten heeft en dat de jaarlijkse verdeling van vaste plaatsen in november een spoedeisend belang oplevert. De voorzieningenrechter erkende het spoedeisend belang, maar oordeelde dat het college terecht heeft gehandeld omdat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vóór het primaire besluit van 18 april 2024 zijn opzegging had willen intrekken.
De voorzieningenrechter overwoog dat het college gebonden was aan het Marktreglement Rotterdam 2008 en de Marktverordening Rotterdam 2017, die voorschrijven dat bij schriftelijke opzegging de inschrijving moet worden doorgehaald. Er waren geen bijzondere omstandigheden die toepassing van deze regels onredelijk maakten. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezegging was gedaan dat intrekking van de opzegging mogelijk was.
De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, de doorhaling blijft staan, en verzoeker krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.