Verzoekster, een alleenstaande ouder die met haar drie kinderen in een tuinhuis woont nadat haar huurwoning gesloten is, kreeg een bijstandsuitkering toegekend die met 20% werd verlaagd omdat het college stelde dat zij geen woonkosten maakt voor het tuinhuis. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat zij wel degelijk woonkosten maakt, onder meer op basis van een factuur van de vorige bewoner en haar eigen schatting van de kosten. Het college kon niet aantonen dat deze kosten niet bestaan. Daarom mocht het college de uitkering niet verlagen met 20%.
De voorlopige voorziening werd toegekend, waarbij het college verplicht werd het verlaagde bedrag vanaf 9 september 2024 als voorschot aan verzoekster uit te betalen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. De voorziening vervalt zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.