Eiseres ontvangt sinds 2011 een Wajong-uitkering en heeft een werkplan waarin afspraken zijn vastgelegd over haar re-integratie, waaronder het regelen van opvang voor haar dochter. Het UWV heeft vastgesteld dat eiseres zich niet aan deze afspraken heeft gehouden, met name doordat zij geen opvang heeft geregeld. Hierdoor heeft het UWV een maatregel opgelegd die haar uitkering tijdelijk verlaagt.
Het primaire besluit betrof een verlaging van 75% voor vier maanden, maar na bezwaar is dit aangepast naar 37,5%. Eiseres betwist de maatregel en stelt dat zij niet verwijtbaar heeft gehandeld en dat de verplichtingen niet duidelijk zijn opgelegd. Ook stelt zij dat de maatregel onzorgvuldig is opgelegd omdat alleen gespreksverslagen als bewijs zijn gebruikt.
De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat zij opvang heeft geregeld en dat het UWV haar meerdere malen heeft gewezen op deze verplichting. De rechtbank vindt dat de maatregel terecht is opgelegd en dat de communicatie hierover voldoende duidelijk was. Ook is geen reden gevonden om af te zien van de maatregel, ondanks de financiële situatie van eiseres. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.