De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die in een gezinshuis verblijft. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, is niet verschenen bij de zitting maar heeft eerder ingestemd met het verzoek.
De kinderrechter baseert zich op diverse stukken, waaronder het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, een briefrapportage van de GI en een e-mail van de minderjarige zelf. Uit deze stukken blijkt dat de minderjarige nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, met name doordat de moeder ervoor heeft gekozen niet meer voor haar te willen zorgen. De minderjarige volgt therapie en heeft beperkt contact met de moeder, terwijl het gezinshuis een veilige en stabiele omgeving biedt.
De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer blijft noodzakelijk om de plaatsing in het gezinshuis te waarborgen. De beschikking wordt dan ook verlengd tot 31 mei 2025 en is uitvoerbaar bij voorraad. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.