ECLI:NL:RBROT:2024:9120
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar verwijzing oogarts CBR
Verzoekster werd door het CBR verwezen naar een oogarts voor een medische keuring om haar rijgeschiktheid te beoordelen. Tegen deze verwijzing maakte zij bezwaar, maar het CBR verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat het een voorbereidingshandeling betrof waarop geen bezwaar openstaat. Verzoekster stelde dat zij spoedeisend belang had bij een voorlopige voorziening omdat zij zonder rijbewijs in sociaal isolement zou raken en financiële problemen zou ondervinden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster onvoldoende spoedeisend belang had aangetoond. Zij rijdt in Nederland immers niet meer auto, kan zich legitimeren met andere documenten en er is geen acute financiële nood. Daarnaast is het niet evident onrechtmatig dat het CBR het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde, omdat de verwijzing naar de oogarts een voorbereidingshandeling is volgens artikel 6:3 Awb Pro.
De rechter wees ook op de brief van het CBR waarin de verwijzing naar de oogarts werd ingetrokken, maar legde uit dat dit een systeemtechnische stap betrof en dat het feitelijke besluit over de rijgeschiktheid nog niet definitief is. Verzoekster kan tegen dat besluit nog bezwaar maken. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en niet evident onrechtmatig besluit.