Op 27 maart 2024 werd in een container op de ECT terminal Rotterdam 13 pakketten cocaïne aangetroffen. De verdachte, een havenmedewerker, werd ervan verdacht samen met een collega de pakketten uit de container te hebben gehaald en vervoerd. De officier van justitie eiste 36 maanden gevangenisstraf, deels voorwaardelijk, en een vrijheidsbeperkende maatregel.
De rechtbank oordeelde dat de gegevens van passieve plaatsbepalingsapparatuur, GPS blackbox en camerabeelden onvoldoende overtuigend waren om vast te stellen dat de verdachte de pakketten heeft vervoerd of in de lockerruimte heeft geplaatst. Ook ontbraken vingerafdrukken en was het mogelijk dat andere medewerkers toegang hadden tot de lockerruimte.
Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van medeplegen van verlengde invoer van cocaïne en wees de gevorderde gevangenneming af. De verdachte had vanaf het begin ontkend betrokken te zijn geweest bij het feit.