Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- de heer mr. J. Pearson, advocaat van verzoekers;
- mevrouw M. Vos, werkzaam bij Zuidweg & Partners (hierna: schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekers hebben een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van hun huurwoning schorst. Dit verzoek volgt op een vonnis van 26 april 2024 waarin ontruiming werd bevolen.
De rechtbank beoordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en overweegt dat het moratorium bedoeld is om schuldenaren een adempauze te bieden om schuldregelingen te treffen. Verweerster voert geen verweer tegen het moratorium.
Gezien de betaling van de huurtermijnen juli en augustus 2024 en de inkomsten uit de onderneming van verzoeker 1, acht de rechtbank het aannemelijk dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan. Het belang van verzoekers om in de woning te blijven en schuldhulpverlening te kunnen doorlopen weegt zwaarder dan het belang van verweerster.
De voorlopige voorziening wordt voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens verklaart de rechtbank verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, met de mogelijkheid tot een nieuw verzoek in de toekomst.
Uitkomst: De rechtbank wijst een voorlopige voorziening toe die de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden schorst onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.