ECLI:NL:RBROT:2024:838

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 februari 2024
Publicatiedatum
12 februari 2024
Zaaknummer
10776285 CV EXPL 23-29134
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen ontbinding huurovereenkomst ondanks gedeeltelijke huurachterstand in Rotterdam

De zaak betreft een huurgeschil tussen Stichting Waterweg Wonen en een huurder met een huurachterstand. De huurder had een achterstand van €3.220,15 tot oktober 2023, waarvan na dagvaarding €2.619,03 is betaald. De resterende achterstand tot en met december 2023 bedraagt €1.245,15. Waterweg Wonen vorderde betaling van de achterstand en ontbinding van de huurovereenkomst.

De kantonrechter veroordeelde de huurder tot betaling van de resterende huurachterstand, verminderd met eventuele latere betalingen, en incassokosten van €462,96. De ontbinding van de huurovereenkomst werd afgewezen omdat de huurder de achterstand grotendeels had ingelopen en er geen eerdere achterstanden waren. De rechter vond de achterstand niet ernstig genoeg voor ontbinding.

Daarnaast werden rente en proceskosten van in totaal €1.294,57 toegewezen aan Waterweg Wonen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Er werd geen sprake geacht van oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst. De huurder werd veroordeeld tot betaling van de achterstand en kosten, maar mocht in de woning blijven.

Uitkomst: De huurder moet de resterende huurachterstand en kosten betalen, maar de huurovereenkomst wordt niet ontbonden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 10776285 CV EXPL 23-29134
datum uitspraak: 9 februari 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Waterweg Wonen,
vestigingsplaats: Vlaardingen,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen

1.[gedaagde01] ,

2. [gedaagde02],
woonplaats: [woonplaats01] ,
gedaagden,
die zelf procederen.
De partijen worden hierna ‘Waterweg Wonen’ en (in enkelvoud) ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 12 oktober 2023, met bijlagen;
  • de akte vermindering van eis;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord;
  • de akte van Waterweg Wonen;
  • de e-mail van [gedaagde01] van 15 januari 2024.
1.2.
De e-mail van [gedaagde01] van 15 januari 2024 is, ondanks dat deze te laat is toegestuurd, aan het procesdossier toegevoegd. De kantonrechter vindt het recht op hoor en wederhoor en daarmee de mogelijkheid om te reageren op de akte van Waterweg Wonen zwaarder wegen dan het strikt hanteren van de termijnen voor het toesturen van processtukken. Waterweg Wonen wordt hierdoor ook niet in haar belangen geschaad.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde01] huurt een woning van Waterweg Wonen. De huur is nu € 644,03 per maand. [gedaagde01] heeft een huurachterstand laten ontstaan. Op het moment van dagvaarden bedroeg die, berekend tot en met oktober 2023, € 3.220,15. Na de dagvaarding heeft [gedaagde01] een aantal betalingen gedaan om de achterstand in te lossen, van in totaal € 2.619,03. Ook de huurprijs over de maand november 2023 is betaald. Berekend tot en met december 2023 is er nog een huurachterstand van € 1.245,15. Waterweg Wonen eist dat [gedaagde01] die huurachterstand betaalt en dat de rechter de huurovereenkomst ontbindt. [gedaagde01] moet van de rechter inderdaad de huurachterstand betalen, maar zij hoeft de woning niet verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Huurachterstand
2.2.
[gedaagde01] wordt veroordeeld om € 1.245,15 aan Waterweg Wonen te betalen, verminderd met wat zij na 13 december 2023 nog aan Waterweg Wonen heeft betaald om de achterstand in te lopen. [gedaagde01] heeft in haar e-mail van 15 januari 2024 vermeld dat op 18 december 2023 nog € 1.000,- is betaald, maar Waterweg Wonen heeft dat niet meer kunnen bevestigen, zodat de kantonrechter dat niet kan vaststellen.
Geen ontbinding huurovereenkomst
2.3.
De huurovereenkomst wordt niet ontbonden, omdat [gedaagde01] – weliswaar na dagvaarding – de achterstand zo ver heeft ingelopen, dat deze niet meer ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de rechter moet alle omstandigheden afwegen. [1] De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat [gedaagde01] de nodige betalingen heeft gedaan en dat niet is gebleken dat eerder sprake is geweest van een achterstand.
2.4.
Omdat de huurovereenkomst niet ontbonden wordt, worden de vorderingen om de woning te ontruimen en om een de nog te vervallen huurpenningen en/of een gebruiksvergoeding/schadevergoeding te betalen afgewezen. Daarvoor is geen grondslag aanwezig.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.5.
De incassokosten van € 462,96 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro). Waterweg Wonen heeft er terecht op gewezen dat [gedaagde01] pas betalingen heeft verricht na het uitbrengen van de dagvaarding en dus nadat de termijn uit de zogenoemde veertiendagenbrief was verstreken. Dat betekent dat de incassokosten verschuldigd zijn.
Rente
2.6.
De rente wordt ook toegewezen, omdat Waterweg Wonen genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde01] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde01] aan Waterweg Wonen moet betalen de rente van € 13,01 die Waterweg Wonen heeft berekend tot 12 oktober 2023. De rente vanaf de dagvaarding wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
Geen oneerlijke bepalingen
2.7.
De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de rechter dus niet getoetst.
Proceskosten
2.8.
[gedaagde01] moet de proceskosten betalen, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). Ook hier geldt dat omdat [gedaagde01] pas na dagvaarding betalingen heeft gedaan, Waterweg Wonen niet kan worden verweten dat zij deze procedure is gestart. Er is daarom geen reden om [gedaagde01] niet in de proceskosten te veroordelen. De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van Waterweg op € 130,57 aan dagvaardingskosten, € 487,- aan griffierecht, € 542,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 271,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.294,57. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan Waterweg Wonen te betalen € 1.721,12, te verminderen met de door [gedaagde01] na 13 december 2023 verrichte betalingen met betrekking tot de achterstand tot en met december 2023, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de hoofdsom die na iedere wijziging vanaf 12 oktober 2023 heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, die aan de kant van Waterweg Wonen worden begroot op € 1.294,57;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken.
51909

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810