Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2024:8188

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 augustus 2024
Publicatiedatum
30 augustus 2024
Zaaknummer
83/165263-20; 83/058851-22; 83/058827-22
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:8 SvArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar gegrond verklaard tegen uitstel voorwaardelijke invrijheidstelling wegens onvoldoende risico-onderbouwing

De veroordeelde is bij vonnis van 31 augustus 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden en kwam op 14 augustus 2024 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.). Het Openbaar Ministerie (OM) stelde de v.i. uit met 60 dagen in afwachting van een advies van het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE). De veroordeelde maakte bezwaar tegen dit uitstel, stellende dat het onredelijk en disproportioneel was en dat het uitstel niet tijdig was betekend.

De rechtbank behandelde het bezwaar en oordeelde dat het uitstel inderdaad één dag te laat was betekend, maar dat dit geen rechtsgevolgen had. De kern van het geschil betrof het risico op recidive, met name op gewelddadig extremistisch gedrag. De rechtbank vond dat het OM dit risico onvoldoende had geconcretiseerd en onderbouwd. Concrete aanwijzingen voor gewelddadig gedrag ontbraken, en het LSE-advies bevestigde een laag risico.

Daarnaast speelde het zwaarwegende belang van de veroordeelde mee, die door het uitstel zijn boekhoudkantoor dreigde te verliezen, wat zijn maatschappelijke re-integratie zou schaden. Gezien deze belangen en het ontbreken van concrete risico’s, oordeelde de rechtbank dat het OM niet in redelijkheid tot het uitstel had kunnen besluiten en verklaarde het bezwaar gegrond. De veroordeelde werd voorwaardelijk in vrijheid gesteld per 15 augustus 2024.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling is gegrond verklaard en de veroordeelde wordt per 15 augustus 2024 voorwaardelijk in vrijheid gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
parketnummers : 83/165263-20; 83/058851-22; 83/058827-22
v.i. nummer : 89/000146-57
raadkamernummer : 24/018600
datum : 14 augustus 2024
Beslissing van de raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv), in de zaak van:

[veroordeelde], veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (PI) te [detentieadres],
voor deze zaak domicilie kiezende te [adres],
ten kantore van zijn advocaat mr. T.M.D. Buruma.

Feiten

De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft de veroordeelde bij vonnis van 31
augustus 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
De veroordeelde kan, gelet op art. 6:2:10 Sv Pro vandaag, op 14 augustus 2024, in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.).
De reclassering heeft op 27 maart 2024 een v.i.-advies afgegeven tot afstel van de v.i. Het v.i.-advies van de PI van 3 april 2024 concludeert eveneens tot afstel van de v.i.
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft op 11 juli 2024 beslist het verlenen van de v.i. met 60 dagen uit te stellen tot 13 oktober 2024, in afwachting van een door het OM op 20 juni 2024 aangevraagd advies van het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE). Op 8 augustus 2024 heeft het LSE haar advies uitgebracht.

Procedure

Tegen voormelde beslissing van het OM van 11 juli 2024 heeft de veroordeelde een bezwaarschrift ingediend, ontvangen op 18 juli 2024 ter griffie van deze rechtbank. Het OM heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt in de ‘Conclusie op het bezwaarschrift v.i.’ van 12 augustus 2024.
De rechtbank heeft op 14 augustus 2024 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsvrouw en de officier van justitie mr. J. Francissen in raadkamer gehoord.

Standpunt van de veroordeelde

De beslissing tot uitstel van de v.i. is niet tijdig, te weten uiterlijk 16 juli 2024, aan de veroordeelde betekend en daarom onrechtmatig.
De veroordeelde kan zich daarnaast niet verenigen met de beslissing tot uitstel van het OM. Deze is onredelijk en disproportioneel. De beslissing is gebaseerd op achterhaalde adviezen van de reclassering en de PI. Het uitstel heeft zeer nadelige gevolgen voor de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, met name het verlies van zijn boekhoudkantoor met inkomensverlies en een verslechtering van zijn maatschappelijke positie tot gevolg. Er is geen gevaar voor gewelddadig gedrag van de veroordeelde. De veroordeling, waarvan hij de straf nu uitzit, ziet niet op een terroristisch misdrijf en een nieuwe verdenking is inmiddels geseponeerd. Er is geen sprake meer van een extremistisch gedachtengoed bij de veroordeelde en hij wil hier in ieder geval geen gewelddadige uiting aan geven. De strafbare feiten waarvoor hij eerder is veroordeeld – en waarbij hijzelf nooit daadwerkelijk geweld heeft gebruikt – dateren van 20 jaar geleden. Gedurende zijn schorsing heeft hij geen nieuwe strafbare feiten gepleegd. Het OM had voorts ruim voldoende tijd voor het onderzoeken van de bij de v.i. op te leggen voorwaarden en van de traagheid die het OM daarbij heeft betracht mag de veroordeelde nu niet de dupe worden.
Ter zitting heeft de raadsvrouw er aanvullend nog op gewezen dat het LSE, waarvan zij het rapport inmiddels heeft ontvangen, ook concludeert dat de risico’s thans laag zijn. Zij vindt dat de officier van justitie zich niet weer kan verschuilen achter opnieuw advies vragen van een intern adviescollege.

Standpunt van het OM

Het bezwaar moet ongegrond verklaard worden, omdat het OM in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen de v.i. uit te stellen met 60 dagen. De beslissing is op tijd aan de veroordeelde kenbaar gemaakt, namelijk op 17 juli 2024, vier weken voor de beoogde v.i.-datum van 14 augustus 2024. Zou dit al te laat zijn dan verbindt de wet daar geen rechtsgevolgen aan. Voorts zijn er nog steeds risico’s op recidive, ook gewelddadige. Dat vloeit voort uit de ideologische opvattingen van de veroordeelde. Het OM wil vast kunnen stellen of en hoe deze risico's in voldoende mate kunnen worden beperkt en beheerst. De beslissing tot uitstel is in redelijkheid genomen op basis van de toen voorliggende rapporten van de reclassering en de PI – die risico’s aanwezig achtten – en dient, marginaal en ex tunc beoordelend, in stand te blijven. Het OM ziet daarentegen ook nadelige gevolgen bij het door reclassering en PI geadviseerde afstel van v.i. en heeft daarom tot uitstel besloten om zo de mogelijkheden van risicobeperking door middel van voorwaarden verder te onderzoeken.
Ter zitting heeft de officier van justitie aanvullend gewezen op de maatschappelijke verantwoordelijkheid die het OM draagt voor de periode van de v.i. De interne adviescommissie van het OM heeft destijds al aangegeven na het advies van het LSE opnieuw te willen adviseren en dat advies wordt nu gevraagd.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat de beslissing tot uitstel één dag te laat aan de veroordeelde is uitgereikt. Nu de wet daaraan geen gevolgen verbindt, wordt volstaan met de constatering dat de termijn met één dag is overschreden.
De beslissing tot uitstel is genomen vanwege een gesteld recidiverisico, ook op gewelddadig gedrag. De rechtbank is van oordeel dat dit risico onvoldoende is geconcretiseerd en onderbouwd. Het risico wordt voornamelijk opgehangen aan het extremistische gedachtengoed van de veroordeelde dat (nog) aanwezig wordt geacht. Ook de rechtbank kan niet ten volle vaststellen of de veroordeelde dat gedachtengoed heeft verlaten. Zij stelt wel vast dat concrete aanwijzingen dat de veroordeelde tot gewelddadigheden zal overgaan ontbreken. In de justitiecontacten is daarvan – al gedurende zeer lange tijd – niet gebleken. In de langdurige schorsing voorafgaande aan de onderhavige veroordeling heeft hij zich niet schuldig gemaakt aan nieuwe strafbare feiten. Andere concrete aanwijzingen voor het gestelde risico zijn, ondanks ruim beschikbare tijd voor onderzoek daarnaar, niet voorhanden.
Hiertegenover staat het zwaarwegende belang van de veroordeelde om op korte termijn voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld. Hij heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat verdere detentie zal leiden tot het verlies van zijn boekhoudkantoor. Hierbij betrekt de rechtbank dat het behoud van zijn eigen bedrijf als een beschermende factor kan worden gezien en het verlies daarvan risico verhogend kan werken. Aan de andere voorwaarden voor v.i., in het bijzonder de bijzondere geschiktheid tot terugkeer in de samenleving, voldoet de veroordeelde nu hij alle leefgebieden op orde heeft.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het OM bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de beslissing tot uitstel was gelegen in het feit dat advies zou worden ingewonnen bij het LSE. In het inmiddels beschikbare advies wordt bevestigd dat het risico op extremistisch geweld niet hoog is, dat de stabiele werk- en financiële situatie beschermende factoren zijn en het wegvallen daarvan niet gunstig wordt geacht in relatie tot het recidiverisico.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het bezwaar gegrond;

bepaalt dat de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld op

15.augustus 2024 om 14:00 uur.

Deze beslissing is gegeven door:
mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,
en mr. drs. K.Th. van Barneveld en mr. H.I. Kernkamp-Maathuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.D. Schmahl, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2024.
De oudste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.