ECLI:NL:RBROT:2024:8168

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 augustus 2024
Publicatiedatum
29 augustus 2024
Zaaknummer
ROT 23/5148
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 WhtArt. 4.1 WhtArt. 6:22 AwbArt. 157 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing overname private schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen

Eiser, gedupeerde in de toeslagenaffaire, had in 2013 een lening van €25.000,- afgesloten bij zijn schoonvader vanwege financiële problemen. Deze schuld was niet vastgelegd in een notariële akte en zou pas worden terugbetaald zodra eiser daartoe in staat was. De minister van Financiën wees de aanvraag tot overname van deze schuld op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) af, omdat de schuld niet aan de wettelijke vereisten voldeed.

In de bezwaarprocedure is eiser ten onrechte niet gehoord, maar de rechtbank passeert dit gebrek omdat eiser zijn standpunten alsnog kon toelichten tijdens de zitting. De rechtbank oordeelt dat het vereiste van een notariële akte wettelijk is voorgeschreven en niet kan worden genegeerd, ook al is de schuld schriftelijk vastgelegd en ondertekend. Tevens is niet vastgesteld dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was, wat eveneens een vereiste is.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt de minister tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De minister hoeft de schuld niet over te nemen omdat niet aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister hoeft de schuld niet over te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/5148

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2024 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: mr. J.A. van Gemeren),
en

de minister van Financiën

(gemachtigde: mr. M. Balbi).

Procesverloop

Met het besluit van 7 november 2022 heeft de minister de aanvraag van eiser om overname van een geldschuld op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen.
Met het besluit van 21 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen het besluit van 7 november 2022 ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 15 juli 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

1. Eiser is gedupeerde in de toeslagenaffaire. Omdat hij door de terugvorderingen van de Belastingdienst in de financiële problemen kwam, heeft hij in 2013 € 25.000,- geleend van zijn schoonvader. De schuld is niet vastgelegd in een notariële akte. Eiser en zijn schoonvader hebben afgesproken dat eiser de schuld zal terugbetalen zodra hij daartoe in staat is. De schuld is niet afgelost.
2. De minister heeft de aanvraag van eiser om de geldschuld over te nemen afgewezen, omdat de schuld niet is vastgelegd in een notariële akte en de schuld niet opeisbaar is geworden.
3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de bezwaarprocedure ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat eiser op de zitting bij de rechtbank naar voren heeft kunnen brengen wat hij tijdens de hoorzitting in bezwaar naar voren had willen brengen. De minister moet wel het griffierecht en de proceskosten van eiser vergoeden.
4. Eiser betoogt dat het vereiste dat de schuld in een notariële akte moet zijn vastgelegd, onredelijk is. Juist omdat de schuld is aangegaan vanwege financiële problemen, was er geen geld om naar de notaris te gaan. De schuld is wel schriftelijk vastgelegd en ondertekend door eiser en zijn schoonvader. In het civiele recht heeft een ondertekende schriftelijke overeenkomst dwingende bewijskracht.
5. De minister neemt op aanvraag een geldschuld over van een aanvrager die in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Een schuld die niet is ontstaan in de normale uitoefening van het beroep of bedrijf van de schuldeiser moet zijn vastgelegd in een notariële akte. [1]
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de aanvraag van eiser terecht afgewezen. De geldschuld van eiser voldoet niet aan de wettelijke vereisten voor overname daarvan. Het is begrijpelijk dat iemand die vanwege financiële problemen geld leent bij familie die schuld niet vastlegt bij een notaris. Bij het opstellen van deze regeling is dit uitgebreid door de regering en het parlement besproken. Uiteindelijk is het vereiste van een notariële akte toch in de wet opgenomen. De rechtbank kan dit vereiste daarom niet opzij zetten. [2] De minister is niet gebonden aan de civielrechtelijke dwingende bewijskracht van de schriftelijke overeenkomst, omdat die alleen geldt tussen eiser en zijn schoonvader. [3] Omdat eiser en zijn schoonvader hebben afgesproken dat de schuld pas hoeft te worden terugbetaald, als eiser daartoe in staat is, staat niet vast dat de schuld opeisbaar is geworden voor 1 juni 2021. Ook aan dat vereiste is dus niet voldaan.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de schuld van eiser niet hoeft over te nemen.
8. De minister moet het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt de minister verder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de minister het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser vergoedt;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van N. Bilogrević, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2024.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Artikel 4.1, eerste lid, tweede lid en derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040.
3.Artikel 157, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.