Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 5 maart 2024, met bijlagen;
- de rolbeslissing van 23 april 2024;
- de akte van 7 mei 2024 met bijlage;
- de rolbeslissing van 28 mei 2024.
2.De beoordeling
betalen
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een huurgeschil waarbij de huurder een woning met parkeerplaats huurde tegen een maandelijkse huurprijs van € 2.710,00. De verhuurder verhoogde de huurprijs voor de parkeerplaats per september 2023 en sloot een aanvullende overeenkomst voor een tweede parkeerplaats. De huurovereenkomst werd per 1 januari 2024 beëindigd, maar er ontstond een huurachterstand over oktober tot en met december 2023.
De kantonrechter stelde vast dat het huurprijswijzigingsbeding in de algemene voorwaarden van de verhuurder oneerlijk was omdat het een huurverhoging met de consumentenprijsindex plus maximaal 5% toestond zonder voldoende onderbouwing. Dit beding werd vernietigd, waardoor alle huurverhogingen vervielen en de oorspronkelijke huurprijs bleef gelden.
De verhuurder eiste een huurachterstand van € 8.730,00, maar na correctie voor de onterechte verhoging werd een bedrag van € 8.700,00 toegewezen. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten van € 805,86 toegekend, maar kosten genoemd in een tweede 14-dagenbrief werden afgewezen wegens onduidelijkheid over het btw-bedrag.
De rente over de huurachterstand werd toegewezen vanaf het moment van verzuim per maand, niet over het te hoge bedrag. De huurder werd veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, rente en proceskosten van € 1.474,38. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van huurachterstand, rente en proceskosten, met vernietiging van het huurprijswijzigingsbeding.