Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 9 mei 2023;
- het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 3 juli 2023;
- het bericht van de man van 2 mei 2024 (met bijlagen);
- het bericht van de vrouw van 9 mei 2024 (met bijlagen).
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- [naam 3] , hierna: [naam 3] .
- de berichten van de man van 24 mei 2024 (met bijlagen) en 3 juni 2024;
- het bericht van de vrouw van 29 mei 2024 (met bijlagen).
2.De vaststaande feiten
3.De beoordeling
- Periode I: De man ontving op de door de rechtbank te hanteren ingangsdatum een ziektewetuitkering, waar in deze periode rekening mee wordt gehouden.
- Periode II: [naam 3] is in ieder geval vanaf 1 januari 2022 een bijdrage verschuldigd aan zijn ex-partner voor [naam 4] , wat zijn draagkracht voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlaagt. De man ontving in deze periode gedeeltelijk een ziektewetuitkering en gedeeltelijk een bijstandsuitkering, waar in deze periode rekening mee wordt gehouden.
- Periode III: Vanaf 1 januari 2023 ontvangt de man uitsluitend een bijstandsuitkering, waar in deze periode rekening mee wordt gehouden.
- Periode IV: De rechtbank ziet aanleiding om vanaf de datum van de beschikking te rekenen met een verdiencapaciteit aan de zijde van de man, zoals hierna vermeld.
- de jaaropgave van het UWV over het jaar 2022, waarop een jaarloon staat genoemd van € 20.286,-;
- en de jaaropgave van de Sociale Dienst over het jaar 2022, waarop een jaarloon staat genoemd van € 4.568,-;
4.De beslissing
- van 18 juni 2021 tot de datum van deze beschikking wordt bepaald op hetgeen is betaald en/of verhaald;
- en met ingang van de datum van deze beschikking wordt bepaald op € 177,- per maand, oftewel € 88,50 per maand per kind;