Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 18 april 2024, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlagen;
- de repliek, met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele procedure eist DSW Zorgverzekeraar betaling van een achterstallige premie van €137,50 voor de maand november 2023, vermeend onbetaald door de gedaagde. De gedaagde betwist dit en overlegt bankafschriften als bewijs van betaling. DSW stelt dat de betaling van 19 juli 2023 betrekking had op de verzekering van de partner van de gedaagde, waardoor de gedaagde een maand achterloopt met haar eigen premiebetalingen.
De kantonrechter oordeelt dat de stellingen van DSW juist zijn en dat de gedaagde inderdaad een maand premie niet heeft voldaan. Daarom wordt de hoofdsom van €137,50 toegewezen. Daarnaast worden incassokosten van €48,40 toegewezen op grond van artikel 6:96 BW Pro, omdat aan de voorwaarden voor vergoeding is voldaan. Tevens wordt wettelijke rente toegewezen vanaf de dag van dagvaarding tot volledige betaling, aangezien DSW dit voldoende heeft gesteld en de gedaagde dit niet heeft betwist.
De gedaagde wordt ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten, begroot op €367,38, vanwege het ongelijk in de procedure. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat DSW direct tot executie kan overgaan, ook bij hoger beroep. De gedaagde heeft niet gereageerd op de nadere stellingen van DSW, wat haar positie verzwakt.
De uitspraak bevestigt dat zorgverzekeraars gerechtigd zijn om premieachterstanden met bijkomende kosten te incasseren en dat bewijs van betaling zorgvuldig moet worden geleverd. De procedure verliep via de kantonrechter in Rotterdam, en het vonnis is op 9 augustus 2024 gewezen en openbaar uitgesproken door mr. F. Aukema-Hartog.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige premie, incassokosten, rente en proceskosten aan DSW.