ECLI:NL:RBROT:2024:7244
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toelating tot wettelijke schuldsanering ondanks niet te goeder trouw ontstane schulden
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvermogen tot voortzetting van betalingen. De rechtbank constateert dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan van enkele schulden, met name aan BNP Paribas Leasing en een andere schuldeiser. Deze schulden zijn ontstaan door verwijtbaar passief gedrag en een recente veroordeling tot betaling, waardoor de goedetrouwtoets niet wordt doorstaan.
Desondanks past de rechtbank de hardheidsclausule toe op grond van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro. Verzoekster heeft haar onderneming gestaakt, staat sinds kort onder beschermingsbewind en haar financiële situatie is gestabiliseerd. De omstandigheden die hebben geleid tot de schulden zijn onder controle gekomen, waardoor het ontstaan van nieuwe schulden onwaarschijnlijk is.
De rechtbank besluit daarom tot toelating tot de schuldsaneringsregeling voor een termijn van achttien maanden, met de voorwaarde dat verzoekster gedurende de regeling onder beschermingsbewind blijft. Tevens wordt een rechter-commissaris benoemd en een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder toegekend. De rechtbank is bevoegd als hoofdprocedure te handelen omdat het centrum van voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.
Uitkomst: Verzoekster wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling onder de voorwaarde van beschermingsbewind voor achttien maanden.