In deze civiele procedure stond centraal of de overgemaakte geldbedragen tussen 16 oktober 2017 en 28 januari 2019 door eiseres aan gedaagde als lening waren verstrekt en of gedaagde deze nog moest terugbetalen.
De kantonrechter stelde vast dat voorshands voldoende bewijs bestond voor een geldleningsovereenkomst en gaf gedaagde de gelegenheid tegenbewijs te leveren. Gedaagde voerde aan dat er geen terugbetalingsverplichting was en dat de lening was kwijtgescholden, maar zijn bewijs was onvoldoende en werd weerlegd door de verklaringen van eiseres en de boekhouder.
Het hof oordeelde dat de lening een zakelijk karakter had, bedoeld om gedaagde te ondersteunen bij zijn onderneming. Gedaagde moest het resterende bedrag van €9.750,- terugbetalen met wettelijke handelsrente vanaf 27 augustus 2022. Tevens werd hij veroordeeld tot betaling van incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.