Verzoeker diende een verzoek in tot gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet omdat één schuldeiser, [persoon A], niet wilde instemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling betrof een betaling van 27,52% aan preferente en 13,76% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit van verzoeker die een PW-uitkering ontvangt.
De schuldeiser [persoon A] betwistte de regeling en stelde dat zijn vordering van € 2.564,37, 36,6% van de totale schuld, niet te goeder trouw is ontstaan omdat deze het gevolg is van oplichting via WhatsApp. Hij voerde aan dat verzoeker is bevoordeeld door het ontvangen van het geld en dat de regeling onvoldoende transparant is. Tevens stelde hij dat verzoeker niet het maximale haalbare heeft aangeboden.
De rechtbank oordeelde dat het belang van [persoon A] bij weigering zwaar weegt gezien het aanzienlijke aandeel van zijn vordering in de totale schuld en de frauduleuze aard van de schuld. Verzoeker kon niet aannemelijk maken dat hij het geld niet heeft ontvangen of dat hij aangifte had gedaan. Daarom is de weigering van [persoon A] niet onredelijk en wordt het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen.
De rechtbank zal separaat beslissen over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het vonnis is gewezen door rechter B.A. Cnossen en uitgesproken op 3 juni 2024.