Verzoekster diende op 5 april 2024 een verzoek in tot toepassing van artikel 287a Faillissementswet om een schuldeiser, de Federale Overheidsdienst Justitie (FO Justitie), te bevelen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Verzoekster heeft twee concurrente schuldeisers met een totale schuld van €211.846,11. Eén schuldeiser stemde in met het akkoord, FO Justitie, die 99,8% van de schuldenlast vertegenwoordigt, weigerde.
De aangeboden regeling voorziet in een betaling van 0,48% van de schuld, gebaseerd op de afloscapaciteit van verzoekster, die parttime werkt en vanwege mentale klachten niet meer uren kan werken. De regeling wordt ondersteund door de Kredietbank Rotterdam en is goed gedocumenteerd. FO Justitie gaf aan meer tijd te willen voor besluitvorming maar maakte geen gebruik van de mogelijkheid tot toelichting.
De rechtbank weegt het belang van FO Justitie tegen dat van verzoekster en de andere schuldeiser en oordeelt dat de belangen van verzoekster en de instemmende schuldeiser zwaarder wegen. De regeling is het uiterste wat verzoekster kan bieden en is gunstiger dan de subsidiaire wettelijke schuldsaneringsregeling, die meer kosten met zich brengt en later uitkeert.
Daarom beveelt de rechtbank FO Justitie in te stemmen met de schuldregeling, wijst het subsidiaire verzoek af en veroordeelt FO Justitie in de proceskosten. Het vonnis treedt in de plaats van vrijwillige instemming en is uitvoerbaar bij voorraad.