Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, met als doel verweerster te verbieden het vonnis tot ontruiming van zijn woonruimte uit te voeren. Verzoeker is een vluchteling uit Syrië die niet in staat is zijn administratie te beheren, waarvoor een beschermingsbewind is ingesteld.
De rechtbank constateert een bedreigende situatie omdat verweerster de ontruiming heeft aangekondigd en het vonnis daartoe reeds is gewezen. De belangenafweging tussen verzoeker en verweerster wordt gemaakt aan de hand van het criterium van artikel 287, vierde lid, Fw. Verzoeker heeft echter de lopende huur over mei en juni 2024 niet voldaan, ondanks de mogelijkheid daartoe en de ondersteuning van de beschermingsbewindvoerder. Tevens werkt verzoeker niet mee aan het openen van een beheerrekening.
Gezien het ontbreken van vooruitzicht op verbetering en de oplopende huurschuld weegt het belang van verweerster zwaarder. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid tot een nieuw verzoek in de toekomst.