Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 18 maart 2024, met 5 bijlagen;
- het antwoord, met 5 bijlagen;
- nadere bijlagen 6, 7 en 8 van [eiser];
- nadere bijlage 6 van [gedaagde].
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een civiel geschil tussen broer en zus waarbij de broer vordert dat de zus twee bedragen aan hem terugbetaalt: een overboeking van € 2.000,- en de betaling van een auto ter waarde van € 15.704,- die op naam van de zus staat. De broer stelt dat het leningen zijn, maar de zus betwist dit.
De rechtbank stelt vast dat er geen schriftelijke of concrete afspraken zijn gemaakt die duiden op een geldleningsovereenkomst. De broer kon niet onderbouwen dat de overboeking van € 2.000,- een lening was, mede omdat de zus verklaarde dat er informele geldstromen waren binnen de familie en dat de betaling niet als lening werd beschouwd. Ook de betaling van de auto werd niet als lening erkend door de zus, en er was geen bewijs van een overeenkomst.
Daarnaast is de vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking verjaard, omdat de betalingen in 2016 en 2017 plaatsvonden en de verjaringstermijn van vijf jaar is verstreken. De rechtbank wijst daarom alle vorderingen af en veroordeelt de broer in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de broer af wegens ontbreken leningsovereenkomst en verjaring.