Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
2.Standpunten
3.De beoordeling
.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeksters hebben bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot faillietverklaring van verweerster wegens achterstallige premies en vorderingen. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek aangehouden en nadere stukken opgevraagd, waaronder facturen en een uittreksel van de Kamer van Koophandel.
Verzoeksters stelden een totaalvordering van ruim €40.000,- inclusief rente en kosten, waarvan een deel door verrekening met creditnota's is komen te vervallen. De rechtbank oordeelde dat slechts een deel van de vordering van verzoekster sub 1 summierlijk was aangetoond, terwijl de vordering van verzoekster sub 2 grotendeels was verrekend en slechts een klein restant openstond.
Gezien het ontbreken van meerdere opeisbare vorderingen en het geringe openstaande bedrag concludeerde de rechtbank dat niet is voldaan aan het vereiste van betalingsonmacht en pluraliteit van schuldeisers. Daarom werd het verzoek tot faillietverklaring afgewezen.
De beslissing werd genomen door rechter C.G.E. Prenger op 18 april 2024. Tegen deze beschikking kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld door de daartoe gerechtigde partij.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring van verweerster is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht.