ECLI:NL:RBROT:2024:5486
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen verlaging Ziektewetuitkering wegens vermeende niet-medewerking
Verzoeker ontvangt een Ziektewetuitkering die door zijn werkgever als eigenrisicodrager wordt betaald. Het UWV heeft op verzoek van de werkgever de uitkering van verzoeker met 37,5% verlaagd voor de periode van 16 februari tot 15 juni 2024 wegens vermeende niet-medewerking aan het verkrijgen van passende arbeid.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en tevens een voorlopige voorziening gevraagd om de verlaging te schorsen. Tijdens de zitting was verzoeker en zijn gemachtigde aanwezig, maar het UWV en de werkgever verschenen niet. Het dossier bevatte geen concrete informatie over het al dan niet solliciteren door verzoeker, noch over gesprekken hierover.
De voorzieningenrechter constateert dat het bestreden besluit geen wettelijke grondslag vermeldt en dat het dossier onvolledig is. Verzoeker erkent dat hij tot mei 2024 niet heeft gesolliciteerd, maar verklaart dat hij sinds mei 2024 wel actief solliciteert. Gezien het spoedeisende belang van verzoeker, die inmiddels geen inkomsten meer heeft, wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen vanaf de datum van indiening, 3 mei 2024.
De verlaging van de uitkering wordt daarmee geschorst tot vier weken na de beslissing op bezwaar. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoeker. De uitspraak bindt niet in een eventueel bodemgeding en is gedaan door voorzieningenrechter S. Veling op 14 juni 2024.
Uitkomst: De verlaging van de Ziektewetuitkering wordt geschorst vanaf 3 mei 2024 tot vier weken na de beslissing op bezwaar.