Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2024:5409

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2024
Publicatiedatum
13 juni 2024
Zaaknummer
C/10/612163 / HA ZA 21-90
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 706 RvArt. 11 Wet griffierechten burgerlijke zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing schadevergoeding wegens ambtelijke corruptie en valsheid in geschrifte

De gemeente Rotterdam vordert schadevergoeding van de gedaagde wegens ambtelijke corruptie, valsheid in geschrifte en oplichting in samenwerking met diverse (onder)aannemers. Na het bereiken van schikkingen met andere partijen bleef de vordering tegen de gedaagde gehandhaafd.

De rechtbank heeft verstek verleend omdat de gedaagde niet is verschenen. De vordering van de gemeente wordt niet onrechtmatig of ongegrond bevonden en wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.190.025,56, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 december 2020.

Daarnaast wordt de gedaagde veroordeeld tot betaling van proceskosten, waaronder beslagkosten en nakosten, met een totaalbedrag van € 6.759,39, eveneens te vermeerderen met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 1.190.025,56 schadevergoeding, wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/612163 / HA ZA 21-90
Vonnis van 12 juni 2024
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE ROTTERDAM,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. W.I. Wisman te Den Haag,
tegen
[gedaagde] , TEVENS H.O.D.N. [bedrijf A],
wonende te Hardinxveld-Giessendam,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure in het kort en voor zover relevant

1.1.
De gemeente had aanvankelijk naast [gedaagde] nog tien andere partijen gedagvaard. Met al die andere gedaagden is de gemeente tot een schikking gekomen, waarna de procedure jegens hen is doorgehaald. Omdat met [gedaagde] geen schikking is bereikt, heeft de gemeente haar vorderingen jegens hem gehandhaafd, met dien verstande dat zij deze heeft verminderd met het bedrag dat zij uit hoofde van de getroffen schikkingen al van de andere oorspronkelijke gedaagde partijen heeft ontvangen.
1.2.
Bij vonnis van 10 april 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering van de gemeente de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, met uitzondering van dat gedeelte dat betrekking heeft op het gestelde bedrag van € 43.484,80 dat [gedaagde] aan voordeel heeft genoten. De gemeente is vervolgens in de gelegenheid gesteld om dit punt nader toe te lichten en/of te onderbouwen.
1.3.
Bij akte van 8 mei 2024 heeft de gemeente haar vordering met een bedrag van € 130.454,40 (= 3 x € 43.484,80) verminderd.
1.4.
Daarop is vonnis bepaald.

2.De vordering

2.1.
De gemeente vordert – na eisvermindering – om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 1.190.025,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, en van de proceskosten, waaronder begrepen de beslagkosten (€ 924,50) en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van het te wijzen vonnis.

3.De verdere beoordeling

3.1.
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen [gedaagde] – die niet in de procedure is verschenen – verstek is verleend.
3.2.
De gemeente vordert van [gedaagde] schadevergoeding als gevolg van door [gedaagde] gepleegde ambtelijke corruptie, valsheid in geschrifte en oplichting in samenwerking met een aantal (onder)aannemers. De (resterende) vordering komt niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen.
3.3.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, zoals hierna begroot.
3.4.
De gemeente vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. Voor de opbouw van het bedrag van € 924,50 heeft de gemeente verwezen naar haar producties 299E t/m 299K, die zien op betekeningskosten c.q. verschotten. Daarnaast heeft de gemeente kosten gehad aan griffierecht voor het beslagrekest en salaris van de advocaat. De beslagkosten worden begroot op:
- griffierecht € 656,00
- betekeningskosten € 924,50
- salaris advocaat
€ 543,00(1 punt x tarief € 543,00)
totaal € 2.123,50
3.5.
Ingevolge artikel 11 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken wordt op het griffierecht van de onderhavige procedure (€ 4.200,00) het griffierecht van de beslagrekesten in mindering gebracht. Voorafgaand aan deze bodemzaak heeft de gemeente zeven beslagrekesten ingediend, waarvan het griffierecht in totaal € 4.592,00 bedraagt. Daarmee wordt het griffierecht in deze bodemzaak op nihil gesteld. Aangezien [gedaagde] niet in de procedure is verschenen, wordt ten aanzien van het salaris advocaat één punt toegekend voor indiening van de dagvaarding. De rechtbank begroot de (overige) proceskosten aan de zijde van de gemeente derhalve op:
- dagvaarding € 100,89
- salaris advocaat € 4.357,00 (1 punt x tarief € 4.357,00)
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 4.635,89
3.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank:
rechtdoende bij verstek
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan de gemeente te betalen een bedrag van € 1.190.025,56, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag vanaf 24 december 2020 tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 2.123,50 aan beslagkosten en € 4.635,89 aan (overige) proceskosten, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe; als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen 14 dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. K.A. Baggerman en mr. J.B. Smits en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2024.
2091 / 106 / 2537 / 3195