AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening moratorium en opschorting ontruiming huurwoning
Verzoeker, die sinds januari 2024 onder beschermingsbewind staat en een beperkte ziektewetuitkering ontvangt, vroeg de rechtbank om een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. De rechtbank stelde vast dat er sprake was van een bedreigende situatie vanwege een vonnis tot ontruiming en een aangekondigde executie.
Hoewel verzoeker huurachterstanden had, toonde hij een verbeterd betaalgedrag met betaling van de huur voor januari, april en mei 2024 en een aanvullende betaling als blijk van goede wil. Tevens was een minnelijk schuldhulpverleningstraject opgestart. De rechtbank vond het aannemelijk dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan en gaf daarom de voorkeur aan het belang van verzoeker boven dat van de verhuurder.
De voorlopige voorziening werd voor zes maanden toegekend onder de voorwaarde dat de huurbetalingen stipt en correct worden voldaan. Daarnaast werd het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284 FwPro niet-ontvankelijk verklaard, omdat het minnelijk traject nog in een voorstadium verkeert. De rechtbank bepaalde dat de huurovereenkomst voor de duur van de voorziening wordt verlengd en dat schuldhulpverlening uiterlijk twee weken voor afloop verslag moet uitbrengen.
Uitkomst: Voorlopige voorziening moratorium op ontruiming huurwoning voor zes maanden toegewezen; verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
Verzoeker heeft op 21 maart 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 FaillissementswetPro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 22 maart 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 18 april 2024.
Op 26 maart 2024 heeft de advocaat van verzoeker verzocht om aanhouding van de mondelinge behandeling wegens verhindering van de beschermingsbewindvoerder.
In de oproepingsbrief van 9 april 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 mei 2024.
De deurwaarder heeft namens verweerder voorafgaand aan de zitting op 29 maart 2024 aan de rechtbank een verweerschrift overgelegd.
Ter zitting van 2 mei 2024 zijn verschenen en gehoord:
de heer mr. J. Pearson, werkzaam bij JAW Advocaten, (hierna: advocaat);
de heer J.L. Brouwer en mevrouw B. de Jager, beiden werkzaam bij Mijnbudgetcoach.nl B.V. (hierna: beschermingsbewindvoerder);
- de heer J. Hogendoorn, werkzaam bij Velthoven De Koning Gerechtsdeurwaarders, namens verweerder (hierna: deurwaarder);
- de heer H. Kot, werkzaam bij Maashave Vastgoedbeheer (hierna: verweerder).
Verzoeker is, met bericht, niet verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2.Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 23 januari 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker staat sinds 17 januari 2024 onder beschermingsbewind. Verzoeker ontvangt een beperkte ziektewetuitkering. Op 1 maart 2024 heeft de beschermingsbewindvoerder een (aanvullende) PW-uitkering aangevraagd. De advocaat heeft ter zitting verklaard dat verzoeker, vooruitlopend op de definitieve beslissing van de Gemeente Rotterdam, een voorschot op de bijstandsuitkering heeft ontvangen. Verzoeker heeft de huur van de maanden januari, april en mei 2024 voldaan. Op 29 april 2024 heeft verzoeker eveneens een aanvullende betaling van € 100,- verricht als blijk van goede wil. De kale huur bedraagt € 650,- per maand. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat verzoeker zich heeft gewend tot de gemeentelijke schuldhulpverlening voor het opstarten van het minnelijke traject. Gezien het traject zich thans in een voorstadium bevindt, wordt verzocht een voorlopige voorziening te treffen voor een termijn van zes maanden.
3.Het verweer
Verzoeker voldoet niet aan de huurbetalingsverplichtingen. Er was in 2023 sprake van een huurachterstand van zeven maanden. Ook dit jaar heeft verzoeker de huur van de maanden februari en maart onbetaald gelaten. Er is een achterstand ontstaan van € 5.588,24 tot en met mei 2024. Verweerder heeft er geen vertrouwen (meer) in dat de lopende termijnen tijdig zullen worden voldaan.
4.De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 23 januari 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 20 maart 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 26 maart 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerder, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerder bestaat erin dat hij het vonnis van 23 januari 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft de lopende huur betaald voor de maanden januari, april en mei 2024. De maanden februari en maart 2024 zijn niet betaald. In april en mei 2024 laat verzoeker een verbeterd betaalgedrag zien. Ook staat verzoeker sinds 17 januari 2024 onder beschermingsbewind. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerder. De komende huurbetalingen moeten in het vervolg stipt en correct gebeuren.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerder in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan van verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5.De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 23 januari 2024 op verzoek van verweerder uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 22 maart 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2024.