Verzoeker heeft op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 24 oktober 2023 en stond gepland voor 24 april 2024. Verzoeker verkeert in financiële problemen door privéomstandigheden en heeft een stabilisatieovereenkomst gesloten met schuldhulpverlening. Sinds april 2024 staat hij onder budgetbeheer en betaalt hij de huurtermijnen tijdig.
Verweerster betwist het verzoek, wijst op eerdere betalingsachterstanden en twijfelt aan de toekomstige betalingscapaciteit van verzoeker. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming dreigt. De belangenafweging tussen verzoeker en verweerster leidt tot toewijzing van de voorlopige voorziening, omdat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de lopende huurtermijnen worden voldaan en het minnelijk schuldhulpverleningstraject voortgezet kan worden.
De voorziening wordt toegekend voor zes maanden vanaf 19 april 2024, onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden betaald. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.