Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 19 juli 2023, met bijlagen;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
Het pensioenfonds VLEP stelde een voormalig bestuurder van een vennootschap aansprakelijk voor onbetaalde pensioenpremies en legde een dwangbevel op. De bestuurder kwam hiertegen in verzet omdat de aansprakelijkstelling onvoldoende was onderbouwd volgens artikel 23 lid 8 Wet Pro Bpf.
De rechtbank oordeelde dat het pensioenfonds niet had toegelicht waarom de bestuurder hoofdelijk aansprakelijk zou zijn, waardoor het dwangbevel buiten effect werd gesteld. Tevens was er een rechtsgeldige mededeling van betalingsonmacht gedaan door de vennootschap, waardoor de bestuurder niet aansprakelijk kon worden gehouden op grond van artikel 23 lid 4 Wet Pro Bpf.
Het pensioenfonds stelde subsidiair dat sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur, maar dit werd onvoldoende onderbouwd. De rechtbank concludeerde dat de terugbetaling van pensioenpremies aan werknemers en de communicatie tussen partijen niet wezenlijk wijzen op kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Daarom wees de rechtbank de reconventionele vordering tot betaling af en veroordeelde het pensioenfonds in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het verzet tegen het dwangbevel wordt gegrond verklaard en de vordering tot betaling door de voormalig bestuurder wordt afgewezen.