Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2024 in de zaak tussen
[naam] , uit Rotterdam, eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Uit de door het college gemaakte berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag volgt dat het college rekening heeft gehouden met de in artikel 4.3, eerste lid, van de Beleidsregels bijzondere bijstand Rotterdam 2019 (Beleidsregels) genoemde vaste woonlasten. In de berekening zijn immers bedragen opgenomen ten aanzien van de afvalstoffenheffing, de onroerende zaakbelasting, het rioolrecht, de waterschapslasten en de opstalverzekering en onderhoudskosten. In het verweerschrift heeft het college een volledige herberekening gemaakt van de woonkostentoeslag. Dit heeft geresulteerd in een hoger bedrag aan woonkostentoeslag dan met het bestreden besluit is toegekend, te weten een maandelijks bedrag van € 176,14. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het college bij de in het verweerschrift opgenomen berekening van onjuiste bedragen is uitgegaan. Op grond van de Beleidsregels wordt alleen het eigenaarsdeel van de waterschapslasten in de berekening van de woonkostentoeslag in aanmerking genomen. Daarnaast zijn kosten voor de cv-installatie en de lift in aanmerking genomen voor de berekening van de rekenhuur. De Beleidsregels voorzien niet in een indexering per 1 juli, zodat het college niet gehouden was de woonkostentoeslag te verhogen. Anders dan eiseres stelt, is dit niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De situatie van eiseres is een andere dan de situatie van huurders die huurtoeslag ontvangen, zodat van gelijke gevallen geen sprake is.