ECLI:NL:RBROT:2024:4772

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 mei 2024
Publicatiedatum
23 mei 2024
Zaaknummer
FT EA 24/280
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 FaillissementswetArt. 358 FaillissementswetArt. 311 Wetboek van StrafrechtArt. 3 Verordening (EU) 2015/848Art. 2 Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing schuldsaneringsregeling ondanks schuld uit misdrijf en psychiatrische problematiek

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvermogen tot betaling van schulden. De rechtbank heeft het verzoek behandeld en vastgesteld dat verzoeker aan de formele voorwaarden voldoet, waaronder het feit dat hij is opgehouden met betalen en niet kan voortgaan met betaling van zijn schulden.

Hoewel verzoeker schulden heeft die zijn ontstaan uit een onherroepelijke veroordeling voor een misdrijf (gekwalificeerde diefstal), en ondanks dat de goede trouw in het verleden kan worden betwijfeld vanwege psychiatrische klachten en middelengebruik, oordeelt de rechtbank dat verzoeker de omstandigheden die tot de schulden hebben geleid onder controle heeft gekregen. Dit blijkt uit een recente rapportage waaruit blijkt dat verzoeker gestopt is met medicatie en geen terugval heeft gehad.

De rechtbank stelt de schuldsaneringsregeling vast voor een termijn van achttien maanden en benoemt een rechter-commissaris. Tevens wordt een voorschot toegekend voor de vergoeding van de bewindvoerder. De rechtbank is bevoegd omdat het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

Het vonnis is uitgesproken door rechter H.C. van Vuren op 8 mei 2024. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt toegewezen voor achttien maanden ondanks schuld uit misdrijf.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
toepassing schuldsaneringsregeling
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 8 mei 2024
[verzoeker],
[adres],
[woonplaats],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft het verzoek behandeld ter zitting van 24 april 2024.
Daarbij zijn verschenen en gehoord:
- verzoeker;
- de heer M. Madja, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlener).
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

Toelating tot de schuldsaneringsregeling
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verzoeker verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. Er is geen, althans onvoldoende grond gebleken voor afwijzing van het verzoek.
Goede trouw
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Voorts dient voldoende aannemelijk te zijn dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke. Gebleken is dat verzoeker meerdere schulden heeft die zijn ontstaan binnen de driejaarstermijn. Verzoeker heeft hierover verklaard dat deze schulden zijn ontstaan in een periode dat hij onder invloed was van verdovende middelen en last had van psychiatrische klachten, waardoor hij vatbaar was voor druk van derden.
Schuld uit misdrijf
In artikel 288 tweede Pro lid sub c Faillissementswet (hierna: Fw) is bepaald dat het verzoek wordt afgewezen indien de schuldenaar schulden heeft welke voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling als bedoeld in artikel 358 vierde Pro lid, Fw, ter zake van een of meer misdrijven, welke veroordeling onherroepelijk is geworden binnen vijf jaar voor de indiening van het verzoek. Uit de stukken blijkt dat aan verzoeker een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd op 20 februari 2022, welke maatregel voortvloeit uit het overtreden van artikel 311 vierde Pro lid van het Wetboek van Strafrecht, dat ziet op gekwalificeerde diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen. Dit betekent dat de schadevergoedingsmaatregel een schuld is die ontstaan is uit een onherroepelijke veroordeling ter zake van een misdrijf.
Beoordeling ontbreken goede trouw en schuld uit misdrijf
Het verzoek kan ingevolge artikel 288, derde lid Fw, ondanks het ontbreken van goede trouw (artikel 288 eerste Pro lid onder b) en ondanks dat sprake is van een onherroepelijke veroordeling ter zake van een misdrijf (artikel 288 tweede Pro lid onder c) wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van deze schulden, onder controle heeft gekregen waardoor een wending ten goede is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is. Uit de rapportage van Fivoor (Forensische en intensieve psychiatrische zorg) van 24 april 2024 blijkt dat verzoeker sinds zeven maanden is gestopt met medicatie en geen terugval in ernstige psychiatrische symptomen heeft, alsook dat de stoornis in cannabis (grotendeels) in remissie is. Daarnaast laat verzoeker geen schulden meer ontstaan. Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal daarom worden toegewezen.
Bevoegdheid rechtbank
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 eerste Pro lid van de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

3.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt per de datum van dit vonnis de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres];
- stelt de termijn van de regeling vast op achttien maanden, te rekenen vanaf 8 mei 2024, waardoor deze termijn eindigt op 8 november 2025;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Snel-van den Hout
en tot bewindvoerder N.T. van den Deijssel,
gevestigd te [postadres]
;
- kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/19e deel van de overeenkomstig artikel 2 van Pro het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. van Vuren, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2024. [1]