De zaak betreft een minderjarige die sinds september 2022 onder toezicht is gesteld. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling in december 2024. De minderjarige woont feitelijk bij de vader, maar de moeder heeft het ouderlijk gezag en staat open voor hulpverlening.
Tijdens de mondelinge behandeling gaf de GI aan dat passende hulpverlening nog niet gerealiseerd is en dat de minderjarige niet terug wil naar een groepsvoorziening. De moeder en minderjarige willen echter graag hulpverlening in de thuissituatie en zijn bereid zich aan duidelijke voorwaarden te houden. De vader gaf aan onvoldoende structuur te kunnen bieden.
De kinderrechter constateert dat de GI geen effectieve hulpverlening heeft ingezet en dat de minderjarige zelf het initiatief heeft genomen om terug te keren naar de moeder. De ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing bieden geen meerwaarde meer, mede omdat vrijwillige hulpverlening nu mogelijk is. Daarom wordt de ondertoezichtstelling opgeheven en het verzoek tot verlenging afgewezen.
De minderjarige heeft behoefte aan duidelijkheid en structuur, wat via de jeugdreclassering kan worden geboden. De moeder zal hem ondersteunen bij het zoeken naar een passende opleiding. Het besluit is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door belanghebbenden.