Verzoekster heeft op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De schulden zijn ontstaan na een relatiebreuk en verzoekster betaalt sinds eind 2023 de huur weer. De schuldhulpverlening acht het haalbaar om binnen zes maanden het minnelijk schuldhulpverleningstraject te doorlopen en verzoekster wordt onder bewind gesteld.
De rechtbank beoordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming gepland stond voor 4 april 2024. De belangenafweging tussen verzoekster en verweerster leidt tot de conclusie dat het belang van verzoekster, namelijk het kunnen blijven wonen en het doorlopen van schuldhulpverlening, zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis ten uitvoer te leggen.
De rechtbank neemt een voorwaarde op dat de voorziening alleen geldt zolang de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond.
De voorziening geldt voor zes maanden vanaf 2 april 2024 en de huurovereenkomst wordt verlengd voor die periode. Schuldhulpverlening dient uiterlijk twee weken voor het einde van de voorziening verslag uit te brengen.
Het vonnis is gewezen door rechter B.A. Cnossen en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2024.