ECLI:NL:RBROT:2024:4457

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 mei 2024
Publicatiedatum
16 mei 2024
Zaaknummer
24/3996
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbParticipatiewet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen verlaging aanvullende bijstandsuitkering wegens niet-naleving re-integratietraject

Verzoekers ontvingen een aanvullende bijstandsuitkering naast een Wajong-uitkering. Verzoekster was medisch belastbaar voor twee keer twee uur per week en had afspraken gemaakt om deel te nemen aan een re-integratietraject, vastgelegd in een Plan van aanpak.

Omdat verzoekster tijdens twee trainingsdagen vroegtijdig was vertrokken en het traject niet was gestart, heeft verweerder de aanvullende bijstandsuitkering met 100% verlaagd voor de duur van een maand. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening om het besluit te schorsen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was, omdat het een financieel geschil betrof dat na afloop van de bodemprocedure kan worden opgelost. Er was geen sprake van een onomkeerbare situatie of acute financiële nood. Ook was het besluit niet evident onrechtmatig, omdat zonder diepgaand onderzoek onvoldoende aanwijzingen waren dat het besluit onjuist was.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor het besluit tot verlaging van de bijstandsuitkering in stand blijft. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend en hoger beroep of verzet is uitgesloten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlaging van de aanvullende bijstandsuitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/3996

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 mei 2024 in de zaak tussen

[verzoeker 1](verzoeker)
en [verzoeker 2] (verzoekster
), uit [plaatsnaam], verzoekers
(gemachtigde: [naam 1]),
en

het Dagelijks Bestuur van de gemeenschappelijke regeling Avres, verweerder

(gemachtigde: mr. J.G.H. Hartwijk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van 9 april 2024 (bestreden besluit), waarbij aan verzoekers op grond van de Participatiewet vanaf 1 april 2024, voor de duur van een maand tot 1 mei 2024, een maatregel is opgelegd van 100%. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
1.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, bijgestaan door [naam 2] en de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekers ontvangen een aanvullende bijstandsuitkering op het inkomen van verzoeker vanuit de Wajong. Door een medisch deskundige is vastgesteld dat verzoekster belastbaar is voor twee keer twee uur per week. In het kader van participatie zijn afspraken met verzoekster gemaakt. Die afspraken zijn neergelegd in een Plan van aanpak. Daarin staat dat verzoekster gaat deelnemen aan de Training Leerroute 1; duur traject: 8 bijeenkomsten (1 keer per week); datum bijeenkomst: dinsdag 27 februari 2024; rooster: wekelijks op dinsdag van 09:30 t/m 12:30 uur. Verzoekster is erop gewezen dat met meewerken aan het Plan van aanpak wordt voorkomen dat haar uitkering tijdelijk wordt verlaagd. Omdat verzoekster tijdens twee trainingsdagen vroegtijdig is weggegaan en hierdoor haar re-integratie traject niet is gestart, heeft verweerder de bijstandsuitkering voor de duur van een maand met 100% verlaagd. Verzoekers zijn het daarmee niet eens. Zij willen met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst.

Is er een spoedeisend belang?

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Verweerder heeft het spoedeisend belang betwist.
4. De voorzieningenrechter is het met verweerder eens dat het spoedeisend belang ontbreekt. Uit het door verzoekers overgelegde financiële overzicht blijkt dat het totaal aan maandelijkse gezinsinkomsten € 2.931,- bedraagt. De maatregel ziet enkel op de aanvullende bijstand en is al uitgevoerd. Niet is gesteld of gebleken dat er betalingsachterstanden zijn. Dat maakt dat de voorzieningenrechter het niet aannemelijk acht dat op dit moment een onomkeerbare situatie zal ontstaan, waardoor verzoekers de bezwaarprocedure niet zouden kunnen afwachten. Dat het leefgeld van verzoekers iedere maand opgaat, dat de maatregel stress verhogend werkt en dat schulden in de toekomst moeilijker zullen kunnen worden ingelopen, wat daarvan zij, maakt niet dat er op dit moment onverwijlde spoed is in de zin van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
5. Omdat geen sprake is van een spoedeisend belang, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanknopingspunten voor dergelijke twijfel.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. van den Berg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.