De rechtbank Rotterdam heeft op 11 april 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van verkrachting van zijn toenmalige vriendin op 10 februari 2021. De officier van justitie vorderde een bewezenverklaring en een jeugddetentie met taakstraf, terwijl de verdediging ontkende dat sprake was van dwang en stelde dat het een miscommunicatie betrof.
De rechtbank oordeelde dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevatte om de tenlastelegging te bewijzen. De verklaringen van het slachtoffer en haar tweelingzus vertoonden inconsistenties en waren mogelijk beïnvloed door onderlinge afstemming. Het geluidsfragment en de verklaring van verdachte wezen wel op een seksuele gebeurtenis waarbij grenzen werden overschreden, maar dat was onvoldoende om verkrachting te bewijzen.
De verdachte werd daarom vrijgesproken van verkrachting. De benadeelde partij, die een schadevergoeding van € 5.000,- vorderde, werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte was vrijgesproken. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de proceskosten, welke nihil werden begroot.
De rechtbank benadrukte dat de belangrijkste bewijsmiddelen in zedenzaken vaak aangifte en verklaringen van derden zijn, maar dat betrouwbaarheid en consistentie essentieel zijn voor een bewezenverklaring. De uitspraak illustreert het belang van voldoende en overtuigend bewijs bij ernstige strafzaken.