ECLI:NL:RBROT:2024:3585
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken bewijs grootschalige hennepteelt en beroepsmatige bestemming stoffen
De rechtbank Rotterdam behandelde op 8 maart 2024 een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van het medeplegen van het voorhanden hebben, verkopen en afleveren van stoffen en voorwerpen bestemd voor grootschalige hennepteelt en beroepsmatige teelt, zoals omschreven in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet.
De officier van justitie vorderde vrijspraak, en de rechtbank stelde vast dat de stukken in het dossier geen aanknopingspunten boden voor betrokkenheid van verdachte bij de aangetroffen stoffen en voorwerpen in diverse locaties, waaronder garageboxen en een winkelpand. Een productspecialist verklaarde dat de aangetroffen producten voornamelijk geschikt zijn voor kleinschalige hobbyteelt.
De verdediging voerde een verweer op basis van schending van de redelijke termijn, maar dit werd door de rechtbank verworpen op grond van vaste jurisprudentie. De rechtbank verklaarde de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging, maar sprak verdachte vrij omdat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen.
De uitspraak bevatte een gedetailleerde opsomming van de aangetroffen producten en materialen, die voornamelijk groeimiddelen en kweekbenodigdheden omvatten, maar geen bewijs leverden voor een grootschalige of beroepsmatige bestemming.
De rechtbank concludeerde dat de verdachte niet betrokken was bij de strafbare feiten zoals omschreven in de tenlastelegging en sprak haar vrij.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor grootschalige hennepteelt en beroepsmatige bestemming van stoffen.