De rechtbank Rotterdam behandelde op 11 maart 2024 een geschil tussen ouders over de hoofdverblijfplaats van twee minderjarige kinderen en de uitvoering van een ondertoezichtstelling. De kinderen wonen sinds 2021 bij de grootouders van vaderszijde, waar ook de vader verblijft. De moeder verzocht om hulpverlening en contactherstel, waaronder een onderzoek door het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (KSCD).
De kinderrechter constateerde dat de kinderen geen mening gaven over de situatie en dat de moeder en grootouders van vaderszijde niet verschenen waren bij de zitting. De gecertificeerde instelling (GI) en Raad voor de Kinderbescherming gaven aan dat traumatherapie noodzakelijk is voordat contactherstel kan plaatsvinden, en dat het KSCD-onderzoek momenteel niet mogelijk is. De vader neemt de zorg voor de kinderen vrijwel volledig op zich en is op zoek naar een eigen woning.
De rechtbank oordeelde dat het belang van de kinderen gediend is met het wijzigen van de hoofdverblijfplaats naar de vader, waarmee de juridische situatie wordt aangepast aan de feitelijke situatie. Het verzoek van de moeder tot het gelasten van het KSCD-onderzoek en contactherstel werd afgewezen, omdat traumatherapie eerst moet starten en de moeder onvoldoende meewerkt. De GI heeft een inspanningsverplichting om het contact te verbeteren en dient haar keuzes schriftelijk vast te leggen.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak.