ECLI:NL:RBROT:2024:338
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid burgemeester tot inbeslagname en blijvende inbeslagname van honden
Eiser had twee Kangal-honden die door de burgemeester in beslag werden genomen vanwege ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde. Dit volgde op eerdere bijtincidenten met een vorige hond van eiser, die was geëuthanaseerd. Na een risico-assessment door een deskundige adviseerde deze om de honden niet terug te geven aan eiser, maar te herplaatsen. De burgemeester nam daarop opnieuw een besluit tot inbeslagname met het doel herplaatsing.
Eiser stelde dat de burgemeester niet bevoegd was tot een permanente inbeslagname van zijn honden. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot tijdelijke inbeslagname op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet in combinatie met artikel 5:29 Awb Pro, omdat er een reëel risico was op verstoring van de openbare orde. De noodzaak en proportionaliteit van de maatregel werden bevestigd door de rapportages en risico-assessments.
Echter, de voorzieningenrechter stelde vast dat er in het bestuursrecht geen grondslag bestaat voor een blijvende inbeslagname met het oog op herplaatsing. Dit besluitonderdeel werd daarom vernietigd en het bezwaar van eiser tegen de blijvende inbeslagname werd gegrond verklaard. De burgemeester moet nu bepalen wat er met de honden gaat gebeuren, waarbij de inbeslagname tijdelijk blijft zolang het risico op openbare ordeverstoring bestaat.
Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat op het beroep werd beslist. De burgemeester werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiser. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter E.B.J. van Elden op 23 januari 2024.
Uitkomst: De burgemeester was bevoegd tot tijdelijke inbeslagname van de honden, maar niet tot blijvende inbeslagname voor herplaatsing; het bezwaar van eiser wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor dat deel.