Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- [eiseres];
- [naam 1], de gemachtigde van [eiseres];
- [gedaagde];
- [naam 2], tot 1 april 2024 de bewindvoerder van [gedaagde];
- [naam 3], de partner van [gedaagde].
Rechtbank Rotterdam
In deze kortgedingprocedure vordert eiseres de ontruiming van een woning die gedaagde sinds december 2023 op grond van een bruikleenovereenkomst bewoont. De bruikleenovereenkomst is per 1 februari 2024 geëindigd, waardoor gedaagde volgens artikel 7A:1787 BW de woning zonder recht of titel bewoont.
De kantonrechter stelt vast dat het aannemelijk is dat in een bodemprocedure de vordering tot ontruiming zal worden toegewezen, omdat gedaagde geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die dit kunnen weerleggen. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op één maand na betekening van het vonnis, met het oog op het belang van het minderjarige kind van gedaagde, conform artikel 3 IVRK Pro.
Eiseres heeft een minder zwaarwegend belang bij spoedige ontruiming, aangezien de woning bestemd is voor haar zoon die in juni gaat studeren. Gedaagde heeft bovendien urgentie gekregen en krijgt na 2 mei een woning aangeboden door de gemeente. De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd, en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen één maand na betekening van het vonnis.