Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2024:2825

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 februari 2024
Publicatiedatum
4 april 2024
Zaaknummer
10725664 \ CV EXPL 23-3731
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling facturen afvalverwijderingsovereenkomst en proceskosten toegewezen

In deze civiele zaak vorderde eiseres betaling van facturen ter hoogte van €2.028,36 op grond van een afvalverwijderingsovereenkomst waarbij een container ter beschikking werd gesteld aan gedaagde. Tevens werden incassokosten, wettelijke handelsrente en proceskosten gevorderd.

Gedaagde betwistte de facturen niet, maar stelde dat de container met medeweten van eiseres was verhuisd en later zonder toestemming was meegenomen. Eiseres ontkende dit en onderbouwde haar standpunt met een e-mailbericht van 16 april 2021 en een verklaring dat de gemeente de container had aangetroffen.

De kantonrechter oordeelde dat eiseres haar stellingen voldoende had onderbouwd, terwijl gedaagde zijn beweringen niet had onderbouwd. Het ontbreken van reactie op het e-mailbericht en het onbegrip over het ontbreken van bezwaar bij het verdwijnen van de container woog mee.

De vorderingen van eiseres werden daarom toegewezen, inclusief betaling van de facturen, incassokosten, wettelijke rente vanaf 11 september 2023 en proceskosten van €1.231,13. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van facturen, wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 10725664 \ CV EXPL 23-3731
datum uitspraak: 29 februari 2024 (bij vervroeging)
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,
eiseres,
gemachtigde: gerechtsdeurwaarderskantoor LikiFin,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam
[handelsnaam],
woonplaats: [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 13 september 2023, met bijlagen;
  • het antwoord van [gedaagde] , ingekomen op 4 oktober 2023,
  • de brief van [eiseres] van 15 februari 2024, met bijlagen;
  • de brief van [gedaagde] , ingekomen op 21 februari 2024.
1.2.
Op 22 februari 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Namens [eiseres] was [persoon A] , directeur van [eiseres] , aanwezig, bijgestaan door mr. N. van Trierum. [gedaagde] was niet aanwezig.

2.De beoordeling

2.1.
De vordering strekt tot betaling van een aantal facturen, in totaal € 2.028,36, op grond van een tussen partijen gesloten afvalverwijderingsovereenkomst, in welk verband [eiseres] aan [gedaagde] een door [eiseres] regelmatig te legen container ter beschikking is gesteld. Tevens heeft [eiseres] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van buitenrechtelijke incassokosten (€ 368,14), wettelijke handelsrente (tot 11 september 2023 berekend op € 264,79) en proceskosten gevorderd.
2.2.
[gedaagde] heeft de overeenkomst en facturen als zodanig niet betwist, maar heeft in zijn op 4 oktober 2023 door de kantonrechter ontvangen antwoord aangevoerd dat de container met medeweten van [eiseres] is verhuisd naar de [straatnaam 1] te Maasdam en dat toen [gedaagde] weg was [eiseres] de container zonder zijn toestemming heeft meegenomen, waarna hij er nooit meer iets van heeft vernomen; dat de container weg was vond [gedaagde] geen probleem. In zijn op 21 februari 2024 door de kantonrechter ontvangen reactie heeft hij daarentegen verklaard dat hij aan de [eiseres] heeft doorgegeven dat de container verplaatst zou worden naar de [straatnaam 2] .
2.3.
[eiseres] heeft in reactie hierop verklaard en ook ter zitting toegelicht dat zij geen berichten van [gedaagde] heeft ontvangen dat de container door hem verplaatst zou worden naar de [straatnaam 1] of de [straatnaam 2] , maar dat zij door de gemeente benaderd is toen de gemeente de container had aangetroffen in de polder bij de [straatnaam 2] . Daarop heeft [eiseres] verschillende keren geprobeerd [gedaagde] telefonisch te bereiken en hem hierover ook gemaild bij een door [eiseres] overgelegd e-mailbericht van 16 april 2021.
2.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] haar standpunt voldoende toegelicht en met genoemd e-mailbericht onderbouwd, terwijl [gedaagde] zijn stellingen en met name de gestelde berichten die hij aan [eiseres] gestuurd zou hebben niet heeft onderbouwd. In het bijzonder is niet gebleken van enige reactie op het e-mailbericht van [eiseres] van 16 april 2021. Ook valt zonder toelichting, die niet is gegeven, niet te begrijpen dat iemand die een container huurt het geen probleem vindt als de container verdwenen is. Veeleer zou voor de hand liggen dat daarover onmiddellijk, al dan niet boos, contact met [eiseres] zou zijn opgenomen.
2.5.
Gelet op voorgaande zijn de vorderingen van [eiseres] , die voor het overige niet zijn betwist, toewijsbaar als na te melden.
2.6.
[gedaagde] wordt veroordeeld om de proceskosten te betalen, omdat hij de in het ongelijk gestelde partij is (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiseres] op € 133,13 aan dagvaardingskosten, € 487,- aan griffierecht, € 476,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 238,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.231,13. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
2.7.
Dit vonnis zal, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dit betekent dat wanneer het geschil ook nog aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van die uitspraak voorlopig toch al naleving van dit vonnis kan worden afgedwongen door de partij die in het gelijk is gesteld, zij het op eigen risico (de hogere rechter kan anders oordelen).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 2.661,29 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 2.028,36 vanaf 11 september 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.231,13;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. P.G.J. van den Berg en in het openbaar uitgesproken.
31688