ECLI:NL:RBROT:2024:2530

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
28 maart 2024
Zaaknummer
10/115279-22
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor witwassen en het aanwezig hebben van cocaïne

Op 26 maart 2024 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de verdachte, geboren in 1978 en wonende op Curaçao. De verdachte is veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en witwassen. De zaak kwam aan het licht na de aanhouding van de verdachte op 20 januari 2019, waarbij in zijn auto een hoeveelheid cocaïne en contant geld werd aangetroffen. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. De verdediging voerde aan dat de verdachte in strijd met het vertrouwensbeginsel was behandeld, maar de rechtbank verwierp dit argument. De rechtbank oordeelde dat de verdachte opzettelijk aanwezig had gehad ongeveer 101,85 gram cocaïne en dat hij in de periode van 1 januari 2014 tot 17 juni 2019 voorwerpen had witgewassen, waaronder aanzienlijke geldbedragen en motoren. De rechtbank concludeerde dat de verdachte geen aannemelijke verklaring had voor de herkomst van het geld en de goederen, en dat deze afkomstig waren uit misdrijf. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 1 jaar. De rechtbank verklaarde ook een aantal in beslag genomen goederen verbeurd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummer: 10/115279-22
Datum uitspraak: 26 maart 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
niet ingeschreven in de basisregistratie personen,
wonende aan de [adres] te [woonplaats] (Curaçao),
raadsman mr. J.F. van Duin, advocaat te Ridderkerk.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 maart 2024.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H. van Galen heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde, met uitzondering van het witwassen van de BMW S 1000, en bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4.Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.
Standpunt verdediging/ officier van justitie
Aangevoerd is dat is gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat aan hem door een medewerker van het parket is meegedeeld dat de zaak is geseponeerd. Dat blijkt ook wel uit het feit dat de zaak na jaren een ander parketnummer heeft gekregen. Het openbaar ministerie heeft met die toezegging het recht op strafvervolging verspeeld en dient niet ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging, aldus de raadsman.
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat van een sepot geen sprake is geweest. Een mededeling daarvan blijkt niet uit het dossier. Als gevolg van de ingebruikname van een nieuw registratiesysteem is de zaak mogelijk voor een tweede keer ingeschreven en is, om dubbele registratie van een zelfde zaak te voorkomen, een sepotcode op de eerdere vermelding genoteerd, maar van een sepot in juridische zin is geen sprake en is ook geen sprake geweest. Er is niet gehandeld in strijd met beginselen van een goede procesorde.
4.2.
Beoordeling
Het staat vast dat de verdachte geen sepotbeslissing heeft ontvangen. Volgens de raadsman zou een medewerker van het openbaar ministerie telefonisch aan hem hebben medegedeeld dat de zaak tegen de verdachte zou zijn geseponeerd. Een daartoe strekkende mededeling van het openbaar ministerie kan bij een verdachte weliswaar het vertrouwen opwekken dat hij in een bepaalde zaak niet verder zal worden vervolgd, maar dat zal alleen dan kunnen leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als dat vertrouwen in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is. Dat is in de regel niet het geval wanneer een medewerker van wie niet is gesteld of gebleken dat zij bevoegdheden heeft in verband met de vervolgingsbeslissing een dergelijke mededeling doet. Dat geldt te meer in het geval dat deze mededeling wordt gedaan aan de raadsman, die ervan op de hoogte is dat een sepotbeslissing aan de verdachte zelf en schriftelijk wordt gedaan. Het beroep op niet-ontvankelijkheid wordt verworpen.
4.3.
Conclusie
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

5.Waardering van het bewijs

5.1.
Bewijswaardering
Feit 1:
De verdachte heeft verklaard dat de auto waarin hij op 20 januari 2019 is aangehouden wel zijn eigendom was, maar dat ook anderen gebruik maakten van deze auto en dat hij niet wist dat zich daarin een hoeveelheid cocaïne bevond. In het verlengde daarvan is door zijn raadsman aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de cocaïne toebehoorde aan de - inmiddels overleden - zoon van de verdachte en de verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne in de auto.
Beoordeling
Voor het begrip ‘opzettelijk aanwezig hebben’ in de zin van de Opiumwet is niet noodzakelijk dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoorden. Voldoende is dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden en dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van die verdovende middelen.
De rechtbank constateert dat de verdachte op het moment dat de cocaïne in de auto werd aangetroffen de bestuurder en de enige inzittende van de auto was. De auto behoorde bovendien aan hem toe. De in de auto aangetroffen hoeveelheid cocaïne bevond zich in een zonnebrillenbakje boven de binnenspiegel. Daarmee bevonden de drugs zich in de machtssfeer van de verdachte.
Verder kan op basis van de algemene ervaringsregel dat de bestuurder, en enige inzittende van een hem toebehorende auto waarin zich een niet onaanzienlijke hoeveelheid drugs bevindt, met de aanwezigheid daarvan bekend geacht mag zijn, opzet op het aanwezig hebben daarvan bewezen worden (HR 25 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9587, NJ 1987, 493). Dit wordt pas anders indien de verdachte een verklaring aflegt die aannemelijk is en waaruit een ander beeld naar voren komt.
De verdachte is tijdens zijn verhoor bij de politie en ook later uitvoerig bevraagd over zijn wetenschap van de drugs. De verdachte heeft toen verklaard dat hij zijn auto heeft uitgeleend aan ‘diverse mensen, waaronder familie’. Hij wilde echter niet vertellen aan wie hij zijn auto had uitgeleend. De verdachte komt eerst tijdens de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak ter zitting, op een moment waarop hij het hele dossier heeft kunnen bestuderen en meer dan vijf jaar na dato, met dit alternatieve scenario. De rechtbank vindt het onaannemelijk dat het de zoon van de verdachte is geweest die een hoeveelheid cocaïne met een aanzienlijke straatwaarde in de auto van de verdachte heeft gelegd en hierin heeft achtergelaten, zonder dat de verdachte daarmee bekend was. Hier wreekt zich de omstandigheid dat dit door de verdachte geschetste alternatieve scenario niet meer kan worden geverifieerd doordat de zoon van de verdachte inmiddels is overleden.
Ter onderbouwing van het scenario heeft de verdediging een verhoor van de zoon in een andere strafzaak overgelegd, waarin de zoon heeft verklaard dat de in die andere zaak aangetroffen drugs (ook) van hem waren. Nog daargelaten dat de gang van zaken in die andere strafzaak op zich niets zegt over de thans aangetroffen cocaïne in de auto van de verdachte, maakt de rechtbank uit het overgelegde verhoor van de zoon en de justitiële documentatie van de verdachte op dat de verdachte bij de in die andere zaak aangetroffen cocaïne ook een actieve rol heeft gespeeld, namelijk door deze te versnijden, en dat hij voor het tezamen en in vereniging met een ander voorhanden hebben van deze drugs is veroordeeld. Aldus vormt het overgelegde verhoor van de zoon van de verdachte geen onderbouwing voor het scenario dat de zoon de cocaïne in de auto heeft achtergelaten, zonder dat de verdachte daarvan wetenschap had. De rechtbank beschouwt dit scenario daarom als niet-aannemelijk en gaat hieraan voorbij.
Feit 2:
De verdachte wordt ervan verdacht dat hij geldbedragen van € 72.495,-,
€ 28.778,74,-, €59.590,-, een auto, drie motoren en een hoeveelheid merkschoenen heeft witgewassen. De geldbedragen betreffen het totaal van contante stortingen die zijn gedaan op twee rekeningen op naam van de verdachte en op één rekening op naam van een onderneming, [naam onderneming] , waarvan de verdachte als eigenaar staat geregistreerd.
Tijdens de aanhouding van de verdachte ter zake van een snelheidsovertreding werden in de door hem bestuurde auto een aanzienlijk geldbedrag in contanten en de onder feit 1 genoemde hoeveelheid cocaïne gevonden. Een en ander vormde aanleiding tot een doorzoeking van de woning van de verdachte. Bij die doorzoeking werden motorfietsen en dure merkschoenen aangetroffen. Het openbaar ministerie heeft vervolgens aan de verdachte gevraagd wat de herkomst is van het in de auto aangetroffen contante geldbedrag en de inbeslaggenomen goederen. De raadsman van de verdachte heeft hierop – kort gezegd – laten weten dat het geld en de goederen waren verkregen uit zijn werkzaamheden als ambulant kapper. Dit inkomen zou zo'n € 1.600,- tot € 2.000,- per maand bedragen. Omdat de verdachte slechts € 250,- per maand aan huisvestingskosten had, hield hij veel geld over om te besteden.
De officier van justitie heeft vervolgens nader onderzoek laten doen naar de vermogenspositie van de verdachte, waarbij is geconstateerd dat in de periode van 1 januari 2014 tot en met 17 juni 2019 op de drie genoemde bankrekeningen contante stortingen zijn gedaan voor een totaalbedrag van € 160.684,-. De officier van justitie heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat er een vermoeden was dat de verdachte zich bezighield met witwassen. Dit blijkt volgens hem onder meer uit de volgende omstandigheden:
  • er is bij de verdachte voor een waarde van minimaal € 38.711,- aan goederen in beslag genomen;
  • de verdachte had eind 2017 op zijn bankrekeningen een tegoed van € 437,-;
  • de verdachte had van 2014 tot en met 2018 een geregistreerd inkomen uit onderneming van in totaal € 53.281,-;
  • de verdachte zou volgens zijn eigen verklaring een inkomen hebben van € 1.600,- tot
  • door de verdachte werd van 2014 tot en met 2018 geen aangifte gedaan van de aanwezigheid van contant geld;
  • door de verdachte werd geen aangifte gedaan van schenkingen en/of erfenissen;
  • de verdachte verklaarde € 3.000,- per jaar (totaal € 15.000) aan kostgeld te betalen;
  • de verdachte beschikte tussen 1 januari 2014 en 17 juni 2019 over een bedrag van
De rechtbank stelt vast dat de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. De verdachte beschikte in de ten laste gelegde periode over een grote hoeveelheid contant geld en goederen van waarde, terwijl zijn beperkte inkomen dit niet rechtvaardigt.
Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van de contante stortingen en de aangetroffen goederen. De verdachte is zich op het standpunt blijven stellen dat de geldbedragen en de goederen zijn verkregen uit het inkomen van de verdachte uit zijn werkzaamheden als ambulant kapper. Hij verklaarde op de zitting dat zijn inkomen mogelijk hoger was dan hij aanvankelijk had verklaard, maar heeft deze stelling niet nader onderbouwd.
De verklaring van de verdachte voor de herkomst van de ten laste gelegde bedragen van
€ 72.495,-, € 28.778,74,- en € 59.590,- is hoogst onwaarschijnlijk. Er is uitvoerig onderzoek gedaan naar het inkomen van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte in de jaren 2014 tot en met 2019 een gemiddeld inkomen had van € 10.160,= per jaar. Het door de verdachte gestelde inkomen blijkt nergens uit. Zelfs als de verdachte wordt gevolgd in zijn stelling dat hij € 2.000,- per maand verdiende en slechts € 250,- aan kosten had, dan leidt dit nog niet tot de geldbedragen die hij in de ten laste gelegde periode tot zijn beschikking heeft gehad. De verklaring van de verdachte dat de ten laste gelegde contante stortingen, de auto en de Suzuki motor uit zijn inkomen zijn voldaan, is daarom hoogst onwaarschijnlijk.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben dan wel zijn aangeschaft met gelden die een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Dat geldt evenzeer voor de tenlastegelegde, ten name van de verdachte in het RDW-register gestelde, motorfiets van het merk BMW met kenteken [kentekennummer 1] , waarvoor de officier van justitie vrijspraak heeft gevorderd. De verdachte heeft verklaard dat deze motorfiets eigendom was van zijn vriend [naam 1] . Omdat deze de motor op Curaçao wenste te importeren, was het nodig om deze eerst op naam van een Nederlands ingezetene te zetten.
Deze verklaring acht de rechtbank ongeloofwaardig. In de eerste plaats volgt uit de gegevens van de RDW dat de motorfiets nimmer op de naam van [naam 1] heeft gestaan. Het voertuig is op 1 augustus 2018, naar valt aan te nemen komende uit de bedrijfsvoorraad van een motorfietsenhandel te [plaats] , op naam gesteld van [naam 2] , die het voor € 6510 heeft aangeschaft. Twee dagen later, dus op 3 augustus 2018, is het op naam van de verdachte gesteld. Op 20 januari 2019 was dit nog steeds het geval. Dat het in bijna een half jaar niet tot uitvoer is gekomen, is een omstandigheid waarvoor de verdachte geen verklaring heeft gegeven; het is bovendien niet inzichtelijk waarom dat zo zou zijn. Bovendien is uit onderzoek gebleken dat de hierboven aangegeven reden voor het op naam van de verdachte zetten van de motorfiets geen hout snijdt: ook een niet-ingezetene kan vanuit Nederland een motorfiets exporteren. Uit het voorgaande valt veeleer af te leiden dat de motorfiets door verdachte is aangeschaft en dat hij daarvoor een bedrag van ten minste
€ 6510 heeft betaald. Het valt immers niet in te zien waarom [naam 2] na twee dagen met een verlies op zijn aanschaf genoegen zou nemen. Voor deze aanschaft geldt derhalve hetzelfde als hiervoor omtrent de overige (contante) aankopen van de verdachte is vastgesteld: zijn legale inkomsten lieten een dergelijke aankoop niet toe, zodat het niet anders kan dan dat deze met uit enig misdrijf afkomstig geld is gefinancierd.
Dat is anders voor de in te tenlastelegging genoemde schoenen. De verdachte heeft verklaard dat het merendeel van de schoenen die in verschillende kamers in zijn woning zijn aangetroffen toebehoorden aan derden. De verdachte heeft dat ook aanstonds bij de politie verklaard. Hij heeft daarmee een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd over de herkomst van de schoenen. Het openbaar ministerie was naar aanleiding van die verklaring gehouden daarnaar onderzoek te doen. De rechtbank is niet gebleken dat zodanig onderzoek heeft plaatsgevonden. De verdachte zal van het witwassen van deze schoenen (partieel) worden vrijgesproken.
5.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij, op 20 januari 2019, te Hoogvliet Rotterdam,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 101,85 gram van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
2
hij, in de periode van 1 januari 2014 tot en met 17 juni 2019,
in Nederland,
voorwerpen, te weten
- een personenauto, te weten een Volkswagen Golf, gekentekend [kentekennummer 1] en
- een motor, te weten een Suzuki GSX-R1000, gekentekend [kentekennummer 2] en
- een motor, te weten een BMW S 1000, gekentekend [kentekennummer 1]
- voorhanden heeft gehad
en
- geldbedragen van in totaal 72.495 euro, te weten contante
stortingen bij de ABN AMRO Bank op rekeningnummer [bankrekeningnummer 1] ten
name van [naam onderneming] en
- geldbedragen van in totaal 28.778,74 euro, te weten contante
stortingen bij de ING Bank op rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] ten name
van [naam verdachte] en
- geldbedragen van in totaal 59.590 euro, te weten contante
stortingen bij de ABN AMRO Bank op rekeningnummer [bankrekeningnummer 3] ten
name van [naam verdachte]
- voorhanden heeft gehad
enomgezet,
en
-
daarvangebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen,
geheel of gedeeltelijk, - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig
misdrijf.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
Feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet
gegeven verbod.
Feit 2:
witwassen, meermalen gepleegd
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.

7.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

8.Motivering straf

8.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
8.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne. Het gebruik van cocaïne levert gevaar op voor de volksgezondheid, nu deze stof sterk verslavend is, en kan bij regelmatig gebruik schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich brengen. Het gebruik hiervan is tevens bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit.
De verdachte heeft zich daarnaast in een periode van ruim 5 jaar schuldig gemaakt aan het witwassen van een bedrag van in totaal € 160.684,= en aan het witwassen van motoren en een auto. Het witwassen van crimineel vermogen vormt, een aantasting van de legale economie en is een bedreiging voor de samenleving vanwege de corrumperende invloed ervan op het gewone handelsverkeer. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt bovendien de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd.
8.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
8.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
13 februari 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een opiumwetfeit.
8.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.
De rechtbank heeft echter rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn -tot aan dit vonnis is na de inverzekeringstelling van de verdachte op 21 januari 2019- is een periode van 63 maanden verstreken. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is derhalve met een zeer ruime periode van 38 maanden overschreden. De verdachte is intussen niet meer in aanraking gekomen met justitie.
De rechtbank vindt gezien dit grote tijdsverloop en het feit dat de verdachte in de tussentijd niet in aanraking is gekomen met justitie, het opleggen van een gevangenisstraf zoals door de officier van justitie is gevorderd, niet meer in de rede liggen. Aan de verdachte zal een taakstraf voor de maximale duur en een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. De verdachte heeft tijdens de zitting verklaard voor het uitvoeren van de taakstraf terug naar Nederland te komen. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Gelet op de verstreken tijd zal de rechtbank aan de voorwaardelijke straf een proeftijd van een jaar verbinden.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder te bespreken verbeurdverklaringen, passend en geboden.

9.In beslag genomen voorwerpen

9.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen Volkswagen Golf, de motor van het merk Suzuki en de inbeslaggenomen schoenen, vermeld op de aan dit vonnis gehechte en daarvan deel uitmakende lijst van inbeslaggenomen goederen, verbeurd te verklaren.
De officier van justitie heeft meegedeeld dat op de op de lijst vermelde contante geldbedragen conservatoir beslag ligt en die bedragen feitelijk niet zullen worden teruggegeven.
9.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft in het verlengde van de bepleite vrijspraak verzocht de teruggave van alle inbeslaggenomen zaken te gelasten.
9.3.
Beoordeling
De in beslag genomen motorfietsen, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen goederen onder de nummers 35 en 42 en de Volkswagen Golf genoemd onder nummer 43 zullen worden verbeurd verklaard.
Met betrekking tot deze voorwerpen is het onder 2 bewezenverklaarde feit begaan.
Ten aanzien van de in beslag genomen schoenen, vermeld onder de navolgende nummers op de lijst van in beslag genomen goederen, zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte. Het betreft de nummers:
  • 1 tot en met 34,
  • 37, tot en met 40, en
  • 44 tot en met 48.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek
236 (tweehonderdzesendertig) urente verrichten taakstraf resteert;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
118 dagen;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 2:
de goederen, vermeld onder de nummers 35, 42 en 43 op de lijst van inbeslaggenomen goederen.
- gelast de teruggave aan verdachte van:
de goederen, vermeld onder de nummers 1 tot en met 34, 37, tot en met 40, 41 en 44 tot en met 48.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Rabbie, voorzitter,
en mrs. W.J. de Veld en J. van de Klashorst, rechters,
in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 26 maart 2024.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij, op of omstreeks 20 januari 2019, te Hoogvliet Rotterdam,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 101,85 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
2
hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 17 juni 2019, te
Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer
anderen, althans alleen,
(van) een of meerdere voorwerpen, te weten
- een of meerdere geldbedragen van (in totaal) 72.495 euro, te weten contante
stortingen bij de ABN AMRO Bank op rekeningnummer [bankrekeningnummer 1] ten
name van [naam onderneming] (p. 124-125 dossier) en/of
- een of meerdere geldbedragen van (in totaal) 28.778,74 euro, te weten contante
stortingen bij de ING Bank op rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] ten name
van [naam verdachte] (p. 126-127 dossier) en/of
- een of meerdere geldbedragen van (in totaal) 59.590 euro, te weten contante
stortingen bij de ABN AMRO Bank op rekeningnummer [bankrekeningnummer 3] ten
name van [naam verdachte] (p. 128-130 dossier) en/of
- een personenauto, te weten een Volkswagen Golf, gekentekend [kentekennummer 1] (p.
359-385 dossier) en/of
- een motor, te weten een Suzuki GSX-R1000, gekentekend [kentekennummer 2] (p. 386
dossier) en/of
- een motor, te weten een BMW S 1000, gekentekend [kentekennummer 1] (p. 445-448 dossier)
en/of
- een hoeveelheid merkschoenen, ter waarde van (totaal) ongeveer 16.765 euro (p.
449-450 dossier)
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de
verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die
voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden
had(den)
en/of
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,
en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en),
geheel of gedeeltelijk, - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig
misdrijf.