Eiseres had een partij gehydrolyseerd weipoeder, een product van dierlijke oorsprong, naar het Verenigd Koninkrijk vervoerd. Na weigering in het VK werd de zending teruggezonden naar Nederland, waarna de minister de partij officieel in bewaring nam omdat deze niet eerst ter controle was aangeboden bij een grenscontrolepost binnen de EU.
Eiseres voerde aan dat sprake was van een misverstand en dat de zending nog niet was geïmporteerd omdat deze opgeslagen lag in een douane entrepot. De rechtbank verwierp dit standpunt en oordeelde dat de zending de EU was binnengebracht en daarmee de controleplicht gold. Ook het subsidiaire betoog dat de zending had kunnen worden teruggenomen faalde, omdat de verordening een dergelijke maatregel niet toestaat zonder voorafgaande controle.
De rechtbank stelde vast dat de officiële inbewaringneming niet onevenredig was, ondanks het verlies van de partij en de oplopende kosten. Eiseres had de schade kunnen beperken door de zending door te zenden naar een plaats buiten de EU, maar heeft dit niet gedaan. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister handhaafde het besluit.