De rechtbank Rotterdam behandelde op 1 februari 2024 de zaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van diefstal van een container door middel van pincodefraude. De officier van justitie stelde dat de verdachte, werkzaam als vrachtwagenchauffeur, de container onrechtmatig had weggenomen bij de ECT Delta Terminal met een pincode die via een vals e-mailadres was verkregen.
Tijdens de terechtzitting op 18 januari 2024 werd vastgesteld dat de verdachte weliswaar de container had meegenomen, maar dat onvoldoende bewijs bestond dat hij wist of had moeten weten dat de pincode onrechtmatig was verkregen. De verklaring van de verdachte over de herkomst van de opdracht was wisselend, maar de officier van justitie kon niet onderbouwen dat het e-mailadres vals was, noch dat de verdachte bewust betrokken was bij de diefstal.
De rechtbank concludeerde dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend was bewezen en sprak de verdachte vrij. De rechtbank oordeelde dat er geen concrete aanwijzingen waren voor opzet of wetenschap van onrechtmatigheid door de verdachte. Hiermee werd de eis van een taakstraf van 160 uur verworpen.