Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2024:2043

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 februari 2024
Publicatiedatum
14 maart 2024
Zaaknummer
11/870435-12
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke herroeping van voorwaardelijke invrijheidsstelling wegens overtreding voorwaarden

De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis van 16 juli 2013 veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf, met een voorwaardelijke invrijheidsstelling die op 23 augustus 2019 inging. Tijdens de proeftijd gelden algemene en bijzondere voorwaarden, waaronder het verbod op het gebruik van verdovende middelen en alcohol, en het verblijf in een instelling voor begeleid wonen.

In november 2023 werd de veroordeelde verdacht van dealen in verdovende middelen en bleek uit een positieve urinecontrole dat hij het drugsverbod had overtreden. Hierdoor werd hem medegedeeld dat zijn woontraject bij Exodus per 10 februari 2024 zou eindigen. In januari 2024 overtrad hij opnieuw de huisregels door lachgasgebruik en het toelaten van anderen in de woning. De reclassering rapporteerde dat het toezicht niet langer effectief kon worden uitgevoerd.

Het Openbaar Ministerie verzocht daarom op 29 januari 2024 om gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor 120 dagen. De veroordeelde betwistte het laatste incident en stelde dat een nieuw traject in een kliniek niet proportioneel is. De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde verwijtbaar de voorwaarden niet heeft nageleefd en wijst de vordering toe. De gevangenisstraf wordt gedeeltelijk herroepen voor maximaal 120 dagen, met de mogelijkheid tot eerdere beëindiging bij passend traject.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toe voor maximaal 120 dagen.

Uitspraak

Rechtbank ROtterdam
Team straf 3
VI-zaaknummer: 99/000227-50
Parketnummer: 11/870435-12
Datum uitspraak: 19 februari 2024
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank in de zaak tegen de veroordeelde:

[verdachte01] ,

geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres01] , [postcode01] te [plaats01] ,
gedetineerd in [detentieadres01] ,
raadsvrouw mr. W. Geurts, advocaat te Amsterdam.

Opgelegde straf

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank
Rotterdam van 16 juli 2013, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest.
Op grond van de wettelijke bepalingen was de voorwaardelijke invrijheidsstelingsdatum van de veroordeelde op 15 juni 2019 vastgesteld. De veroordeelde is op 23 augustus 2019 feitelijk voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Hieraan zijn – kort gezegd – de volgende voorwaarden verbonden:
Algemene voorwaarde:
De veroordeelde pleegt geen strafbare feiten.
Bijzondere voorwaarden:
een contactverbod;
een locatieverbod;
een locatiegebod;
een meldplicht;
een opname in een zorginstelling/klinische behandeling;
het begeleid wonen of een maatschappelijke opvang;
een inspanningsverplichting voor het verkrijgen en behouden van woonruimte en een structurele en zinvolle dagbesteding;
een open, gemotiveerde en meewerkende houding tonen met betrekking tot het toezicht en de behandeling;
het verlenen van medewerking aan middelencontroles;
het tonen van openheid van zaken ten aanzien van de financiële situatie.
De proeftijd is op 23 augustus 2019 ingegaan en bedroeg 1217 dagen.
Op 28 augustus 2019, 22 oktober 2019, 18 februari 2020 en 29 november 2022 zijn de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden gewijzigd, zodat deze – voor zover relevant voor deze beslissing – thans luiden:
6.
De veroordeelde verblijft gedurende de proeftijd in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Exodus Roosendaal, althans in soortgelijke instelling. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen en het dagprogramma die de instelling heeft opgesteld.
9.
De veroordeelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd op lijst 1 en 2 in de Opiumwet (harddrugs en softdrugs). Daarnaast gebruikt de veroordeelde geen alcohol. De veroordeelde werkt mee aan ademonderzoek (blaastest) en/of urineonderzoek en/of een ander controlemiddel om dit verbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.
Bij beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 december 2020 is de voorwaardelijke invrijheidsstelling herroepen met 487 dagen wegens overtreding van de algemene voorwaarde.
De nieuwe invrijheidsstellingsdatum van de veroordeelde was op 20 januari 2023. De veroordeelde is op 30 januari 2023 feitelijk voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
De proeftijd is op 30 januari 2023 ingegaan en bedraagt 730 dagen.
De rechter-commissaris heeft op 31 januari 2024 de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling bevolen, wegens overtreding van de bijzondere voorwaarden.

Vordering

Op 29 januari 2024 heeft het Openbaar Ministerie een vordering ingediend tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde, wegens het niet naleven van de hiervoor onder 6 en 9 genoemde voorwaarden.
Bij de vordering is overgelegd het rapport van Reclassering Nederland, afdeling reclassering (hierna ook: de reclassering), gedateerd 26 januari 2024.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 19 februari 2024.
De officier van justitie mr. W.A.J.A. Welten en de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw zijn gehoord.
Voorts is de deskundige [naam01] , als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, gehoord.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling en heeft de rechtbank verzocht om dit te doen voor een duur van 120 dagen.
De veroordeelde en de raadsvrouw hebben verzocht de vordering af te wijzen. Daartoe is aangevoerd dat reeds in november 2023 door Exodus is bepaald dat de veroordeelde de instelling moest verlaten, wegens verdenkingen vanwege dealen in verdovende middelen en een positieve urinecontrole. Dit heeft echter destijds niet geleid tot het indienen van een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Deze vordering is pas ingediend na een nieuw incident in januari 2024, terwijl dat incident door de veroordeelde wordt betwist en hij daarover niet is gesproken of bevraagd. Daarbij komt dat een nieuw vervolgtraject in een NIFP-kliniek of soortgelijke instelling niet proportioneel is, omdat de veroordeelde daar sinds zijn veroordeling al langere tijd heeft doorgebracht.

Beoordeling

Het rapport van de reclassering houdt in dat er geen invulling meer kan worden gegeven aan het toezicht, omdat de veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden die zien op het alcohol- en drugsverbod en het begeleid wonen. In november 2023 bleek dat de verdachte werd verdacht van het dealen in verdovende middelen. In diezelfde maand is er een positieve urinecontrole afgenomen. Hierop is aan de veroordeelde medegedeeld dat het woontraject bij Exodus per 10 februari 2024 zou worden beëindigd. In januari 2024 heeft de verdachte nogmaals de huisregels van Exodus overtreden door de woning binnen te gaan terwijl hij lachgas gebruikte en hij andere personen binnenliet. Tijdens een hier op volgende kamercontrole is er een tuitje gevonden dat op een lachgasfles kan worden geplaatst.
De deskundige heeft op de terechtzitting het rapport van de reclassering toegelicht en daarbij verklaard dat een gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling de reclassering de mogelijkheid biedt om opnieuw onderzoek te doen naar passende diagnostiek voor de veroordeelde. Zonder passende begeleiding wordt het risico op recidive als hoog ingeschat.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de veroordeelde de voormelde voorwaarden verwijtbaar niet heeft nageleefd.
Daarom zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog gedeeltelijk, te weten honderdtwintig dagen of zoveel korter als nodig voor het opstarten van een passend traject zoals begeleid wonen of klinische behandeling, moet worden ondergaan. Indien blijkt dat de veroordeelde eerder dan deze honderdtwintig dagen geplaatst kan worden binnen een voor hem passend traject, dient deze tijd niet volledig te worden benut.

BeslissingDe rechtbank:

wijst toe de vordering tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
gelast dat van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog een gedeelte, groot 120 (honderdtwintig) dagen, of zoveel korter als nodig voor het opstarten van een passend traject moet worden ondergaan.
Deze beslissing is genomen door mr. D.F. Smulders, voorzitter,
en mr. drs. K. Th. van Barneveld en mr. dr. S. Wahedi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.R. de Graaf, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 februari 2024.
De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.