Eiser verzocht het College voor de Rechten van de Mens om openbaarmaking van alle voorgaande Wob- en Woo-verzoeken en bijbehorende besluiten. Het College maakte diverse documenten openbaar, maar erkende dat dossiers niet compleet waren en verwees naar vernietiging van oudere documenten. Eiser stelde dat het College onvoldoende had gezocht, met name naar documenten van de Commissie gelijke behandeling (Cgb), en dat het College niet alle documenten openbaar had gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was omdat het College tijdig een besluit had genomen. Ten aanzien van het inhoudelijke beroep stelde de rechtbank vast dat het College onvoldoende had gezocht naar Wob-verzoeken van de Cgb, terwijl het archief daarvan aan het College was overgedragen. Hoewel het College in de beroepsfase aanvullend had gezocht, had zij geen actie ondernomen om ontbrekende documenten actief te achterhalen.
De rechtbank vond dat het College de bewaartermijn van drie jaar onvoldoende had onderbouwd en dat het College niet had voldaan aan haar onderzoeksplicht om ontbrekende documenten te vinden. Ook was de motivering over de toepassing van de weigeringsgrond inzake persoonsgegevens toereikend. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het College op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Het betaalde griffierecht werd aan eiser vergoed.