Op 21 mei 2022 vond een incident plaats in een hotelkamer in Rotterdam waarbij verdachte werd beschuldigd van seksueel misbruik van een vrouw die mogelijk in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. Aangeefster verklaarde dat verdachte zonder haar toestemming seksuele handelingen verrichtte terwijl zij sliep. Verdachte ontkende dit en stelde dat alle handelingen met wederzijdse instemming plaatsvonden.
De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 21 maanden. Het bewijs bestond uit verklaringen van aangeefster, een getuige en een DNA-rapport van het NFI. De rechtbank oordeelde dat hoewel de verklaring van aangeefster gedetailleerd was, de ontkenning van verdachte en de beperkte waarnemingen van de getuige onvoldoende steunbewijs boden. Daarnaast waren alle betrokkenen onder invloed van alcohol en lachgas, wat het beeld vertroebelde.
De rechtbank kon niet met redelijke twijfel vaststellen dat verdachte wist dat aangeefster haar wil niet kon bepalen of kenbaar maken en dat hij opzettelijk handelde. De alternatieve verklaring van verdachte voor het DNA-spoor was niet onweerlegbaar. Daarom werd verdachte vrijgesproken. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd afgewezen omdat geen straf of maatregel was opgelegd.
De rechtbank sprak verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. Het vonnis werd gewezen door voorzitter J. van der Groen en rechters J.C. Tijink en F. van Laanen op 21 november 2024.