De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van seksueel misbruik op 9 april 2022. Het slachtoffer verklaarde dat zij door het innemen van slaapmiddelen suf was en geen weerstand kon bieden, terwijl verdachte stelde dat de seksuele handelingen met wederzijdse instemming plaatsvonden.
De officier van justitie achtte het bewijs van het slachtoffer betrouwbaar en stelde dat verdachte wist dat het slachtoffer onder invloed was van benzodiazepine, een middel dat sufheid veroorzaakt. De rechtbank onderzocht of het slachtoffer in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde en of verdachte daarvan op de hoogte was en opzettelijk handelde.
De rechtbank concludeerde dat het slachtoffer door de pillen in een sluimerende toestand verkeerde en onvoldoende in staat was haar wil te bepalen of weerstand te bieden. Echter, er waren onvoldoende aanwijzingen dat verdachte wist van deze toestand of dat zij geen seks wilde. Hierdoor bleef twijfel bestaan over de opzet van verdachte.
De rechtbank sprak verdachte vrij wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel werd opgelegd.