ECLI:NL:RBROT:2024:13167

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 december 2024
Publicatiedatum
31 december 2024
Zaaknummer
FT RK 24/1625 en FT RK 24/1626 en FT RK 24/1627 en FT RK 24/1628
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium en opschorting ontruiming huurwoning

Verzoekers hebben op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van hun huurwoning op te schorten. Zij kampen met schuldenproblematiek en willen via schuldhulpverlening hun situatie verbeteren. De rechtbank constateert een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en het exploot dat ontruiming aankondigt.

De rechtbank weegt het belang van verzoekers, die met hun kinderen in de woning willen blijven en het schuldhulpverleningstraject willen doorlopen, tegen het belang van verweerster, de verhuurder die het vonnis wil uitvoeren. Verzoekers hebben voldoende inkomsten om de lopende huur te betalen, de huur voor november en december is voldaan en budgetbeheer wordt opgestart om tijdige betaling te waarborgen.

Daarom acht de rechtbank het belang van verzoekers zwaarder en wijst de voorlopige voorziening toe voor zes maanden, met de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens verklaart de rechtbank verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schorst de ontruiming voor zes maanden onder voorwaarde van tijdige huurbetaling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] - C [nummer 2] en [nummer 3] - [nummer 4]
uitspraakdatum: 10 december 2024
[verzoeker],
en
[verzoekster]
beide wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekers.

1.De procedure

Verzoekers hebben op 19 november 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 19 november 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 3 december 2024.
Ter zitting van 3 december 2024 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekers;
  • mevrouw [persoon A] en mevrouw [persoon B] , beiden werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 april 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
Verzoekers willen een oplossing voor hun schuldenproblematiek. Zij hebben zich daarom gemeld bij de Kredietbank Rotterdam. Mevrouw [verzoekster] ontvangt een Wajong-uitkering. Daarnaast heeft zij een coach van het UWV, waarmee zij bezig is om weer aan het werk te gaan. De heer [verzoeker] heeft op dit moment geen inkomen, omdat hij ziek is. Hij had voorheen een eigen onderneming, welke inmiddels feitelijk is beëindigd. Hij schrijft de onderneming op korte termijn uit bij de Kamer van Koophandel, waarna hij een PW-uitkering zal aanvragen. Verzoekers hebben op dit moment evenwel voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur van de maand november en van de maand december is voldaan. Bovendien wordt op korte termijn budgetbeheer opgestart. De budgetbeheerder zal dan zorgdragen voor de tijdige en volledige betaling van de huurpenningen.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 april 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 24 oktober 2024 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 20 november 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij, met hun kinderen, in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 23 april 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekers hebben voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. Bovendien hebben zij de huur van de maand november en de maand december voldaan. Ook zal budgetbeheer worden opgestart. Daarmee wordt gewaarborgd dat de huur tijdig en volledig zal worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 23 april 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [adres] te [woonplaats] ( [postcode] ), voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 19 november 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 december 2024.