In deze kort geding procedure vordert de moeder van een 12-jarige jongen met het syndroom van Down vervangende toestemming om haar zoon tegen de griep te laten vaccineren. De ouders hebben gezamenlijk gezag, maar verschillen van mening over de noodzaak van de griepprik. De vader betwist de effectiviteit en veiligheid van het vaccin voor kinderen met het syndroom van Down en stelt dat er geen medische indicatie is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat vanwege de lichamelijke kwetsbaarheid van de jongen en zijn eerdere ernstige longcomplicaties het in zijn belang is om gevaccineerd te worden. De huisarts heeft de jongen uitgenodigd voor de griepprik en ziet geen contra-indicatie. Ook de raad voor de kinderbescherming ondersteunt de vaccinatie. Er is geen bewijs van nadelen of bijwerkingen die zwaarder wegen dan de voordelen.
De vordering wordt toegewezen en de moeder krijgt vervangende toestemming die van de vader vervangt. De procedurekosten worden ieder voor eigen rekening genomen. De voorzieningenrechter benadrukt het belang van betere communicatie tussen de ouders in het belang van hun zoon.