De rechtbank Rotterdam heeft op 4 december 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd verdacht van medeplegen van afpersing, gekwalificeerde diefstal en wederrechtelijke vrijheidsberoving. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.
De aangever verklaarde dat hij op 22 januari 2024 met de verdachte en twee medeverdachten naar Antwerpen was gereden, waarbij hij op de terugweg werd bedreigd met een vuurwapen en gedwongen tot afgifte van persoonlijke goederen en geld. Hij werd vervolgens enige tijd van zijn vrijheid beroofd in een hotel. De verdachte ontkende betrokkenheid en beriep zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht.
Hoewel de verklaring van de aangever ondersteund werd door objectief bewijsmateriaal dat de medeverdachten betrof, was er onvoldoende bewijs dat de verdachte zelf een actieve rol had in de ten laste gelegde feiten. De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet als medepleger kon worden aangemerkt en sprak hem vrij. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding en veroordeeld in de kosten.